Veertien jaar over één Europese boete: Straatsburg veroordeelt België, en Luxemburg schreef al in 2012 dat zo’n duur in strijd kan zijn met de redelijke termijn van het Handvest
Een Belgische fiscale procedure over de aftrek van een Europese kartelboete en de rente erop, begonnen in december 2011, was eind 2025 nog niet af. Straatsburg veroordeelt België; geen Belgische rechter stelde Luxemburg een vraag. Het Handvest kent binnen het Unierecht de drempel van het EVRM niet.
Op 8 oktober 2026 veroordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens België, omdat een fiscale procedure tegen een Belgische onderneming meer dan veertien jaar duurde en eind 2025 nog niet af was. Het ging om de vraag of het verhuisbedrijf SIRVA NV een kartelboete van 3.490.000 euro van de Europese Commissie mocht aftrekken van zijn winst, en later om de rente op die boete. De Unierechters in Luxemburg deden in ruim vijf jaar uitspraak over de boete zelf; bij de Belgische rechters lag de zaak eind 2025 bijna twaalf jaar. Geen Belgische rechter legde in die tijd een vraag aan het Hof van Justitie voor, en de Belgische regering toonde in Straatsburg niet aan dat de schadevordering tegen de Staat werkt voor een procedure die nog loopt. Het Europees Hof kende 5.000 euro toe. Het Hof van Justitie schreef al in 2012, in een btw-zaak, dat belastingprocedures van meer dan veertien jaar “per definitie” in strijd kunnen zijn met het beginsel van een redelijke termijn uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dat dit ook voor deze Belgische procedure geldt, is onze lezing.
Dat Straatsburg België kon veroordelen, dankt het bedrijf volgens de rechtspraak van dat Hof aan een belastingverhoging van 10 procent. Belastinggeschillen vallen volgens het Europees Hof buiten het burgerlijke deel van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), ondanks hun financiële gevolgen voor de belastingplichtige (Ferrazzini tegen Italië, Grote Kamer, 2001). Een belastingverhoging valt wel onder het strafrechtelijke deel van artikel 6, en omdat het Belgische recht de aanslag en de verhoging procesrechtelijk niet scheidt, telt dan de hele procedure mee (Vegotex International tegen België, Grote Kamer, 2022). Het arrest over SIRVA volgt Vegotex zonder dat met zoveel woorden te zeggen: het laat de termijn lopen vanaf de aankondiging van die verhoging, en HUDOC, de databank van het Hof, rubriceert de schending onder het strafrechtelijke deel. Het Handvest kent de drempel van Straatsburg niet. Volgens de officiële toelichting correspondeert artikel 47, leden 2 en 3, van het Handvest met artikel 6, lid 1, EVRM, “maar de beperking tot de betwistingen betreffende burgerlijke rechten en verplichtingen of tot strafrechtelijke vervolging geldt niet ten aanzien van het recht van de Europese Unie en de toepassing ervan”.
Wat Straatsburg vaststelde
Het arrest van een comité van drie rechters is unaniem en definitief, en het is in het Frans gewezen. Het Europees Hof laat de termijn lopen vanaf 7 december 2011, de dag waarop de fiscus het bedrijf liet weten dat hij de aangifte wilde wijzigen en een belastingverhoging wilde opleggen; dat beginpunt aanvaardde de Belgische regering zelf. Toen het bedrijf op 28 augustus 2024 naar Straatsburg stapte, duurde de procedure volgens het Hof twaalf jaar, acht maanden en eenentwintig dagen. Bij het einde van de schriftelijke uitwisseling in Straatsburg, op 15 december 2025, lag de zaak nog bij het hof van beroep in Gent, wat de totale duur volgens het Hof bracht op “plus de quatorze ans” (meer dan veertien jaar).
De regering vond de duur niet onredelijk; volgens haar had het bedrijf zelf vertraging veroorzaakt en was de zaak complex. Het Europees Hof oordeelde: “ni le comportement de la société requérante ni la complexité du dossier ne peuvent suffire à justifier, en l’espèce, un délai global de plus de quatorze ans, alors que la procédure demeure toujours pendante” (noch het gedrag van de verzoekster, noch de complexiteit van het dossier kan in dit geval volstaan om een totale duur van meer dan veertien jaar te rechtvaardigen, terwijl de procedure nog steeds loopt).
Het bedrijf vroeg 20.715,53 euro voor immateriële schade, 16.060,71 euro voor materiële schade en 14.170 euro aan kosten van de procedure in Straatsburg. Het kreeg 5.000 euro voor immateriële schade. De materiële schade wees het Hof af omdat het geen oorzakelijk verband zag met de schending, de kosten omdat het bedrijf er geen stukken voor had overgelegd.
Het Hof verwierp ook het verweer dat het bedrijf de Belgische Staat eerst zelf voor de duur had moeten aanspreken. Het verwees naar zijn arrest Van den Kerkhof tegen België uit 2023, waarin het vaststelde dat Belgische burgerlijke procedures, anders dan strafprocedures, geen “mécanisme préventif ou accélérateur d’une procédure en cours” (preventief of versnellend mechanisme voor een lopende procedure) kennen. Fiscale geschillen lopen in België via de gewone rechter en het burgerlijke procesrecht. De regering, die de bewijslast droeg, had niet aangetoond dat de schadevordering tegen de Staat werkt voor een procedure die nog loopt: “En particulier, aucune jurisprudence n’a été produite” (in het bijzonder werd geen enkele rechterlijke uitspraak overgelegd). Het Hof had de partijen bij de mededeling van de zaak, op 21 maart 2025, uitdrukkelijk op Van den Kerkhof gewezen.
Wat het Handvest vraagt
Het Hof van Justitie verbindt de redelijke termijn in btw-zaken uitdrukkelijk aan het Handvest. In Belvedere Costruzioni ging het om een Italiaanse wet die de oudste btw-zaken bij de belastingrechter in derde aanleg beëindigde: zaken die sinds het beroep in eerste aanleg meer dan tien jaar liepen en waarin de fiscus in eerste en tweede aanleg had verloren. De verplichting om de eigen middelen van de Unie, hier de btw, doeltreffend te innen, “mag echter, in de eerste plaats, niet ingaan tegen de eerbiediging van het beginsel van rechterlijke behandeling binnen een redelijke termijn, dat de lidstaten ingevolge artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in acht moeten nemen bij de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie” (punt 23). De zaken duurden “in feite al meer dan veertien jaar” (punt 24); de feiten in de hoofdzaak dateerden van “ongeveer dertig jaar geleden”, en sommige procedures duurden “zelfs nog veel langer”. Daarover schreef het Hof van Justitie: “Een dergelijke duur kan per definitie als zodanig in strijd zijn met het beginsel van een redelijke termijn en voorts met de verplichting, een doeltreffende inning van de eigen middelen van de Unie te waarborgen” (punt 25). De Italiaanse wet, die de procedures ten nadele van de fiscus beëindigde, was verenigbaar met het Unierecht. Bij SIRVA duurde alleen al de rechterlijke fase, vanaf het beroep van januari 2014, eind 2025 bijna twaalf jaar.
In 2023 bevestigde het Hof van Justitie dat wie te maken heeft met een belastingdienst die het Unierecht toepast, recht heeft op behandeling binnen een redelijke termijn, bij de dienst en bij de rechter (Napfény-Toll, C-615/21, punt 53, ook een btw-zaak). Voor zijn eigen rechters is het Hof van Justitie streng. Toen een kartelzaak vijf jaar en negen maanden bij het Gerecht lag, met bijna vier jaar tussen de schriftelijke en de mondelinge behandeling, noemde het Hof van Justitie dit een “voldoende gekwalificeerde schending” van artikel 47 (Gascogne, C-40/12 P, 2013). Het Gerecht stelde later een overschrijding van twintig maanden vast en kende elk van de twee vennootschappen in die zaak 5.000 euro toe voor immateriële schade. SIRVA kreeg in Straatsburg hetzelfde bedrag voor een procedure die meer dan veertien jaar duurde; hoeveel daarvan overschrijding was, becijferde het Europees Hof niet.
Veertien jaar, stap voor stap
Op 11 maart 2008 beboette de Europese Commissie een kartel van tien ondernemingen op de Belgische markt voor internationale verhuizingen. De boete van 3.490.000 euro ging naar Team Relocations NV, die sinds 2020 SIRVA NV heet. Het Gerecht verwierp het beroep in 2011, het Hof van Justitie de hogere voorziening in 2013.
Op 7 december 2011 kondigde de fiscus aan dat hij de aangifte wilde wijzigen: geen aftrek van de boete en de rente erop, en een verhoging van 10 procent, omdat de aangifte volgens hem onvolledig was. De aanslag over aanslagjaar 2010 bedroeg 227.890,56 euro en moest voor 20 juni 2012 worden betaald; voor aanslagjaar 2009 volgde geen aanslag, omdat het bedrijf dat jaar verlies leed. Het bedrijf diende op 29 juni 2012 bezwaar in. Op zijn eigen verzoek werd het bezwaar ruim drie weken aangehouden, tot het Grondwettelijk Hof op 20 december 2012 in een andere zaak over de aftrek van kartelboetes had beslist. Op 23 oktober 2013, ruim tien maanden na die beslissing, wees de fiscus het bezwaar af. De rechtbank in Leuven verwierp het beroep op 6 februari 2015. Het bedrijf ging in hoger beroep op 22 april 2015.
Bij het hof van beroep in Brussel was de schriftelijke ronde op 17 juni 2016 afgerond. Het hof bepaalde de pleitzitting op 14 november 2018, bijna twee jaar en vijf maanden later. Op verzoek van het bedrijf schoof de zitting op naar 24 april 2019; het hof gaf beide partijen extra tijd voor conclusies, het bedrijf tot en met 8 januari 2019 en de Staat tot en met 8 maart 2019. Het bedrijf diende aanvullende conclusies van honderd bladzijden in. Het arrest van het hof van beroep volgde op 6 november 2019. Het bedrijf vroeg de Staat de formele overhandiging van dat arrest, de betekening, uit te stellen tot uiterlijk 31 december 2020; op 22 december 2020 volgde het cassatieberoep, met het verzoek om drie prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Het Hof van Cassatie deed er ruim drie jaar en vier maanden over. De conclusie van de advocaat-generaal kwam in januari 2023, het arrest op 2 mei 2024. De boete bleef niet aftrekbaar. Over de rente op de boete, de verliezen van aanslagjaar 2009 en een herberekening wegens dubbele belasting vernietigde het Hof van Cassatie het Brusselse arrest, onder meer omdat het hof van beroep het recht van verdediging had geschonden, en verwees de zaak naar het hof van beroep in Gent. Een verzoek van het bedrijf om het cassatiearrest in te trekken, leidde op 11 april 2025 tot de verbetering van een materiële vergissing en werd voor het overige afgewezen. In Gent lag de zaak op 15 december 2025 nog.
De vraag die niet naar Luxemburg ging
Het Hof van Justitie heeft nooit beslist of een Europese kartelboete fiscaal aftrekbaar mag zijn. In 2009 besliste het, op een vraag van het gerechtshof Amsterdam, alleen dat de Commissie in een nationale procedure over die aftrek opmerkingen mag indienen, met deze motivering: de beschikking waarbij de Commissie de boete oplegde, “zou namelijk aanzienlijk aan doeltreffendheid inboeten indien deze boete voor de betrokken vennootschap […] volledig of gedeeltelijk aftrekbaar zou zijn van haar belastbare winst” (X BV, C-429/07, punt 39).
In België diende de Commissie op 8 maart 2012 zulke opmerkingen in bij het Grondwettelijk Hof. Zij vond dat het Unierecht zich “clearly” tegen aftrek verzet, maar schreef ook: “The Court of Justice has not yet been asked to rule on this question, but has already expressed a view on the matter indirectly, in Case C-429/07, referred to above.” Daarnaast schreef zij: “The issue of deductibility remains unclear in the Belgian legal system.” Als het Grondwettelijk Hof twijfelde, vroeg zij dat hof de vraag aan Luxemburg voor te leggen; de Belgische ministerraad vroeg dat in ondergeschikte orde ook. Het Grondwettelijk Hof oordeelde op 20 december 2012 dat de rechtspraak van het Hof van Justitie “geen twijfel” laat en dat de aftrek niet verenigbaar is met het Unierecht, en stelde geen vraag. Toen het hof van beroep in Brussel in 2019 in een andere zaak de aftrek toch toeliet, vernietigde het Hof van Cassatie dat in 2020, ook zonder vraag aan Luxemburg, omdat het aftrekverbod volgens hem “kennelijk” uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt.
In de zaak van SIRVA vroeg het bedrijf zelf om prejudiciële vragen. Bij het vijfde onderdeel van het eerste middel van het bedrijf overwoog het Hof van Cassatie op 2 mei 2024: “Aangezien het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en het antwoord op de voorgestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie bijgevolg niet tot cassatie kan leiden, dienen deze vragen niet te worden gesteld.” Hoe het de vraag bij het derde onderdeel afdeed, staat niet in het gepubliceerde uittreksel. Volgens het Hof van Justitie moet een hoogste rechter die niet verwijst (artikel 267, derde alinea, VWEU), in zijn motivering laten zien waarom niet, en bijzonder zorgvuldig zijn wanneer rechters in zijn land of in andere lidstaten uiteenlopend oordelen en hij daarop is gewezen (Consorzio Italian Management, C-561/19, 2021). Of het Hof van Cassatie daaraan voldeed, valt niet te controleren.
In onze lezing raakt de Europese grondslag van het aftrekverbod ook de duur. Het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie weigerden de aftrek omdat het Unierecht die weigering volgens hen eist; het Hof van Cassatie oordeelde in 2020 dat een rechter die de aftrek niet weigert, de plicht tot loyale samenwerking met de Unie schendt (de Unietrouw, toen artikel 10 EG-Verdrag, nu artikel 4, lid 3, VEU). Een lidstaat die met een beroep op het Unierecht de aftrek weigert, brengt het Unierecht ten uitvoer. Het Hof van Justitie oordeelde in 2009 zelf dat de uitkomst van een geding over de fiscale aftrekbaarheid van een Commissieboete “kan raken aan de doeltreffendheid” van die sanctie (X BV, punt 39). En wanneer het Unierecht toepasselijk is, “impliceert dit dat de door het Handvest gewaarborgde grondrechten toepassing vinden” (Åkerberg Fransson, C-617/10, punt 21). Dan geldt voor de procedure over de aftrek het Handvest, en daarmee de redelijke termijn van artikel 47. Artikel 19, lid 1, VEU voegt eraan toe: “De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren.” Dat een regering een maatregel naar nationaal recht anders noemt, beslist daarover niet. Toen de Luxemburgse regering in een btw-zaak aanvoerde dat het om civielrechtelijke aansprakelijkheid ging, noemde het Hof van Justitie dat op 16 juli 2026 “in dit verband irrelevant” (C-158/25, punt 33), en daaruit volgde dat “de uit artikel 47 van het Handvest voortvloeiende vereisten van toepassing zijn” (punt 38). Geen rechter heeft voor de Belgische vennootschapsbelasting beslist dat artikel 47 van het Handvest van toepassing is. Het hof van beroep in Brussel noemde de aftrekregel in de zaak van SIRVA in de eerste plaats “een loutere bepaling van intern recht”, en oordeelde in ondergeschikte orde dat een andere uitleg “gelet op het beginsel van Unietrouw, terzijde moet worden geschoven” (Hof van Cassatie 2 mei 2024, r.o. 20); volgens de fiches bij het cassatiearrest van 2 mei 2024 vereist de Unietrouw dat de rechter het aftrekverbod zoveel mogelijk zo uitlegt dat het ook voor boetes van de Commissie geldt. Dat het Handvest hier geldt, is onze lezing van de rechtspraak.
Het patroon: gewaarschuwd sinds 2005
De duur van Belgische procedures is een structureel probleem. Het Comité van Ministers van de Raad van Europa, dat toeziet op de uitvoering van de arresten van het Europees Hof, noemde in juni 2024 de duur en de gerechtelijke achterstand, “particularly in Brussels”, “long-standing problems identified by the Court as long ago as 2005”. In 2021 schreef het Comité dat “excessive delays in the administration of justice constitute a serious danger”. De groep zaken rond het arrest Bell tegen België, definitief sinds 6 april 2009, staat onder versterkt toezicht in de categorie “Complex problem”, met als kern buitensporig lange burgerlijke en strafprocedures, in het bijzonder in het gerechtelijk arrondissement Brussel. Voor het hof van beroep in Brussel vond het Comité in 2024 dat “a significant increase in resources appears urgently required”. Volgens de cijfers in de notities bij dat besluit lagen er eind 2023 bij het hof van beroep in Brussel 11.485 zaken, en duurde een burgerlijke zaak er gemiddeld 1.061 dagen, tegen 340 in Antwerpen.
Het Europees Hof veroordeelde België al eerder voor de duur van een fiscale procedure met belastingverhoging. In Vegotex (2022) duurde die “treize ans et plus de six mois” (dertien jaar en meer dan zes maanden), en de regering erkende toen zelf “qu’il existait un arriéré en matière d’impôts sur les revenus” (dat er een achterstand bestond in zaken over inkomstenbelastingen). In Van den Kerkhof (2023), een burgerlijke zaak, wachtte de verzoeker in Brussel 41 maanden op een datum voor de pleidooien in hoger beroep; het Hof noemde de problemen in het arrondissement Brussel structureel. In december 2025 schrapte het Europees Hof de zaak Swissair International Finance III van de rol, nadat de regering een schending van de redelijke termijn en van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel had erkend en 25.000 euro had aangeboden. Volgens de regering was de schadevordering met een wet van 7 februari 2024 versterkt en was “aucune autre mesure d’ordre général” (geen andere algemene maatregel) nodig; het Hof schreef dat zijn beslissing “en aucun cas” (in geen geval) een erkenning is dat de algemene maatregelen volstaan. Ruim twee jaar na Van den Kerkhof legde de regering in SIRVA geen enkele uitspraak over waaruit blijkt dat die schadevordering werkt voor een procedure die nog loopt, terwijl zij het Comité van Ministers in 2024 nog veertien beslissingen had voorgelegd om de werking ervan te illustreren.
Dat staat haaks op de afsluiting in 2015 van een eerdere groep van zeventien Belgische zaken over te lange procedures. Het Comité van Ministers sloot die af op het actierapport van de regering, met de vaststelling dat de maatregelen een “satisfactory impact” hadden gehad op de duur van burgerlijke procedures “before the courts of appeal and the Court of Cassation”, de twee instanties waar de zaak van SIRVA daarna jaren lag, en dat “Belgian law offers an effective compensatory remedy in civil matters”. In de zaak Van den Kerkhof zelf schreef de Commissie in juli 2026: “In the Van den Kerkhof case Belgium is urged to finalise the domestic proceedings as soon as possible.” De binnenlandse procedure in die zaak, begonnen in 2015, was in juni 2024 volgens het Comité van Ministers nog niet afgerond.
Wat de Europese Commissie weet
In haar rechtsstaatverslag schreef de Commissie in 2023 dat België minder rechters per inwoner heeft en minder aan zijn rechtspraak uitgeeft dan gemiddeld in de EU, met als “particularly serious example” het hof van beroep in Brussel. In 2025 bleven achterstand en doorlooptijd bij dat hof “very problematic”. In 2026 oordeelde zij: “Limited progress has been made to improve the efficiency of justice”, een lager oordeel dan in 2025. Het oudste leidende arrest van het Europees Hof dat België nog niet heeft uitgevoerd, staat volgens het verslag van 2026 open “for close to 17 years”, en dat arrest “concerns the excessive length of civil proceedings at first instance level”.
Bij trage teruggaaf van btw zag de Commissie wel een inbreuk. In 2013 schreef de bevoegde commissaris, na klachten tegen Italië: “Delays in making refunds of two years on average are incompatible with the VAT Directive”, en de Commissie hield zich een besluit over die klachten voor. Een inbreukprocedure tegen trage belastingrechtspraak is ons niet bekend. Een aanbeveling over de rechten van belastingplichtigen, die de Commissie voor het vierde kwartaal van 2022 had aangekondigd, staat op haar eigen site nog altijd als “UPCOMING”. Bij de aftrek zelf trad zij wel op, om de doeltreffendheid van haar boetes te verdedigen.
Wat het kost
Voor het bedrijf betekende de duur ruim twaalf jaar onzekerheid over een aanslag van 227.890,56 euro, en daarna nog over de rente op de boete, de verliezen van 2009 en de dubbele belasting. De zaak doorliep een bezwaarprocedure en drie rechterlijke instanties, en lag op 15 december 2025, na terugverwijzing, nog in Gent. Het bedrijf kreeg de kosten van de binnenlandse procedure, die het in Straatsburg als materiële schade opvoerde, niet vergoed. Voor de Unie betekent de duur, in onze lezing, dat na veertien jaar nog niet vaststaat hoe de rente op haar eigen boete fiscaal wordt behandeld, terwijl het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie de aftrek juist weigerden met een beroep op de doeltreffendheid van zulke boetes. En België laat in Brussel niet alleen dit bedrijf wachten: in Van den Kerkhof wachtte de verzoeker 41 maanden op een datum voor de pleidooien, en het Europees Hof noemde de problemen daar structureel.
Nederland: dezelfde reflex
In Nederland beriep een belastingplichtige zich op artikel 47 van het Handvest, in een bpm-zaak over een gebruikte auto uit het buitenland, waarin ook artikel 110 VWEU aan de orde was. In die zaak besliste de Hoge Raad op 18 september 2026, net als de Belgische rechters, zelf en zonder vraag aan Luxemburg. De belastingplichtige vroeg 6.500 euro. Hij steunde op artikel 52, lid 3, van het Handvest, waarvolgens de inhoud en reikwijdte van artikel 47 ten minste dezelfde zijn als die van het overeenkomstige recht in het EVRM. Daarnaast steunde hij op de maatstaf die het Europees Hof volgens hem hanteert: 1.000 tot 1.500 euro per jaar dat de hele procedure duurde, plus 2.000 euro als “bonus” in zaken met een zwaarwegend belang. De rechtbank kende 1.000 euro toe, omdat bezwaar en beroep samen acht maanden langer hadden geduurd dan de twee jaar die de Hoge Raad zelf als redelijk aanmerkt; het gerechtshof en de Hoge Raad lieten het daarbij. De rechtspraak van het Hof van Justitie laat volgens de Hoge Raad de lidstaten “buiten redelijke twijfel ruimte” voor de vergoedingsregels die hij zelf had vastgesteld. Over de eigen bevoegdheid van de Hoge Raad om de tweejaarsregel te geven, schreef hij in één zin dat die rechtspraak “zo evident is dat er redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan”. In hetzelfde arrest zag hij op nog zeven Unierechtelijke punten geen aanleiding voor vragen aan Luxemburg, onder meer bij de klacht dat het gerechtshof zich bevoegd achtte het Unierecht zelf uit te leggen en niet verplicht vragen te stellen, ook niet op verzoek van de belastingplichtige. Bij zes van die punten oordeelde hij in een verkorte motivering dat de klachten niet tot cassatie leiden, met de zin: “De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen.” Dat staat artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO81) de Hoge Raad toe als een klacht naar zijn oordeel niet tot cassatie kan leiden en geen vragen oproept die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht. Voor het afzien van vragen verwees hij bij die zes punten telkens alleen naar de gronden van zijn eigen arresten in andere zaken. Bij alle overige klachten volstond hij met dezelfde zin en de opmerking dat het Unierecht daarvoor niet relevant was of dat hij al had uitgelegd waarom hij geen vragen stelde, zonder per klacht te zeggen welk van de twee gold.
Een half jaar eerder, op 24 maart 2026, had het Hof van Justitie in grote kamer juist over zo’n verkorte motivering beslist, op een vraag van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Remling, C-767/23). Volgens het dictum verzet artikel 267, derde alinea, VWEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, zich tegen een nationale regeling waarmee een hoogste rechter een vraag van Unierecht met een verkorte motivering kan afdoen, “tenzij deze nationale rechterlijke instantie specifiek en concreet uiteenzet waarom” een van de drie uitzonderingen op de verwijzingsplicht in die zaak geldt. Een afwijzing “met een verkorte motivering, waarin enkel wordt vastgesteld dat in de betreffende zaak is voldaan aan de voorwaarden die de nationale regeling aan een dergelijke motivering stelt”, voldoet daar niet aan (punt 26). Dat geldt ook als een partij niet uitdrukkelijk om een verwijzing heeft gevraagd (punt 29). Wie stelt dat de uitleg “zo evident” is, moet in de regel uitgebreider motiveren en uitleggen waarom die oplossing even evident zou zijn voor de hoogste rechters van de andere lidstaten en voor het Hof van Justitie (punt 37). De Nederlandse regeling waarmee de Hoge Raad een cassatieberoep verkort kan afwijzen, noemde het Hof van Justitie daarbij “vergelijkbaar” met de regeling die het beoordeelde (punt 27). Een regeling als RO81 mag bij een vraag van Unierecht dus alleen worden toegepast als de hoogste rechter toch specifiek en concreet uitlegt waarom hij niet verwijst; tegenover het Verdrag en het Handvest kan RO81 die uitleg niet vervangen.
Dit is een ernstige misstand. Bij zes Unierechtelijke punten staat in het arrest van 18 september geen uitleg waarom de Hoge Raad het Hof van Justitie geen vraag stelde, alleen de RO81-zin en een verwijzing naar zijn arresten in andere zaken. De Hoge Raad kende Remling: in zijn arrest van 17 juli 2026, waarnaar hij in september verwees, haalde hij het zelf aan, bij een formule die openliet welke van de drie uitzonderingen gold (r.o. 4.4.4). Juist of een hoogste rechter dat mag openlaten, was de vraag in Remling (punt 17). De belastingplichtige kreeg zo bij zes Unierechtelijke klachten geen uitleg die op zijn eigen zaak was toegesneden, en het Hof van Justitie kreeg niet de vraag of de vergoedingsregels van de Hoge Raad met artikel 47 van het Handvest te verenigen zijn.
Volgens het Hof van Justitie wordt de staat in het volkenrecht bij de schending van een internationale verplichting “in zijn geheel beschouwd”, ook als de schending aan de rechterlijke macht is toe te rekenen, en “geldt dit des te meer” in de rechtsorde van wat nu de Unie is (Köbler, C-224/01, punt 32). Toen de hoogste bestuursrechter van Frankrijk een vraag niet voorlegde terwijl de uitleg niet zo evident was dat er redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel bestond, stelde het Hof van Justitie op een beroep van de Commissie vast dat Frankrijk zijn verplichtingen uit artikel 267, derde alinea, VWEU niet was nagekomen (Commissie/Frankrijk, C-416/17, 2018, punt 114 en dictum); zo’n niet-nakoming kan “in beginsel” worden vastgesteld “ongeacht welk orgaan van die staat door zijn handelen of nalaten het verzuim heeft veroorzaakt, zelfs al betreft het een constitutioneel onafhankelijke instelling” (punt 107). Een lidstaat moet bovendien de schade vergoeden die zijn hoogste rechter veroorzaakt met een kennelijke schending van een regel van Unierecht die de burger rechten geeft; daarbij weegt mee of die rechter zijn verwijzingsplicht verzuimde, en een schending is in ieder geval voldoende gekwalificeerd wanneer de rechtspraak van het Hof van Justitie “kennelijk is miskend” (Köbler, punten 51 tot en met 53, 55 en 56). Ook naar volkenrecht is wat een rechter doet een daad van de staat, en bepaalt het volkenrecht, niet het eigen recht, of die daad onrechtmatig is (artikelen 3 en 4 van de artikelen over staatsaansprakelijkheid van de VN-Commissie voor Internationaal Recht). Ons oordeel, dat nog geen rechter heeft getoetst, is dat de Hoge Raad hier de plicht schond om specifiek en concreet te motiveren waarom hij niet verwees (artikel 267, derde alinea, VWEU en artikel 47 van het Handvest, zoals uitgelegd in Remling), en dat de Staat der Nederlanden daarmee, door zijn hoogste rechter, een internationaal onrechtmatige daad beging, met dezelfde reflex als de Belgische rechters.
Volgens de vergoedingsregels van de Hoge Raad krijgt wie te lang wacht, in beginsel 500 euro per half jaar overschrijding. De Hoge Raad stelde dat bedrag in 2011 vast en heeft het sindsdien niet verhoogd. Sinds 2024 laat de Hoge Raad de belastingrechter bij een financieel belang van minder dan 1.000 euro en een overschrijding van hooguit twaalf maanden volstaan met de vaststelling dat de termijn is overschreden; de belastingplichtige krijgt dan geen geld. Bij zo’n belang mag de rechter dat na afweging ook doen als de overschrijding langer is. In WOZ- en bpm-zaken verlaagde de wetgever de vergoeding met ingang van 2024 bovendien van 500 naar 50 euro per half jaar overschrijding, “uitsluitend op verzoek” en tenzij er bijzondere omstandigheden zijn; de wet noemt dat “herwaarderen”. Die wettelijke regel geldt voor termijnen die na 1 januari 2024 beginnen, en dus nog niet in de zaak van september, waarin de termijn in 2021 begon. De klacht dat het gerechtshof die wet niet mocht toepassen omdat zij in strijd is met het Unierecht, wees de Hoge Raad in datzelfde arrest af met dezelfde RO81-zin en zonder vraag aan Luxemburg. In het arrest van 17 juli 2026, waarnaar de Hoge Raad op 18 september voor de klachten over de proceskosten verwees, ging het om een procedure die vier maanden langer had geduurd dan hij zelf redelijk vindt; die vertraging was volledig aan de inspecteur toe te rekenen. Daaruit volgt volgens de Hoge Raad geen gekwalificeerde schending van het Unierecht (een schending die ernstig genoeg is voor schadevergoeding), en “zelfs indien een gekwalificeerde schending van het Unierecht heeft plaatsgevonden”, krijgt de belanghebbende voor de duur niet meer dan een vergoeding voor de “spanning en frustratie” en de kosten van het verzoek om die vergoeding.
In belastingzaken halen de rechtbanken en gerechtshoven hun eigen doorlooptijdstandaarden meestal niet. In 2025 bleef 19 procent van de belastingzaken bij de rechtbanken en 18 procent bij de gerechtshoven daarbinnen; over alle soorten zaken samen was dat 59 procent. De Rechtspraak verwacht zelf dat ook de komende jaren zaken buiten die standaarden blijven. De belastingkamer van de Hoge Raad deed in 2025 gemiddeld 393 dagen over een zaak, ruim een derde langer dan in 2024 (286 dagen). In 2025 handelde de Belastingdienst ruim een op de vijf afgedane bezwaren niet binnen de wettelijke termijn af; zijn eigen doel van ten minste 90 procent op tijd haalde hij niet, en verbetering in 2026 verwacht het ministerie niet. Het ‘Handvest voor belastingbetalers’, dat de staatssecretaris van Financiën op 7 oktober 2026 naar de Kamer stuurde, introduceert volgens de bijbehorende beslisnota “geen nieuwe rechten” en heeft “geen aparte rechtskracht”; het noemt het EVRM en het Handvest van de grondrechten niet. Volgens het ministerie zelf geeft dus ook deze zin de belastingplichtige geen nieuw recht: “Wij moeten op tijd een beslissing nemen. Zijn wij niet op tijd? Dan mag u ons daarop aanspreken.” (Zie ook ‘Een farce van formaat’.)
Het sterkste tegenargument
Volgens de Belgische regering vertraagde het bedrijf de procedure zelf, met verzoeken om aanhouding en uitstel, lange conclusies en een verzoek om intrekking van het cassatiearrest. Het Europees Hof aanvaardt dat het gedrag van het bedrijf bepaalde vertragingen kan verklaren, vooral in Brussel, en dat de zaak een zekere complexiteit had, die een langere duur kan rechtvaardigen dan bij zaken die spoed vragen, “d’autant plus vrai que le recouvrement diligent de l’impôt est dans l’intérêt de l’État, plus que du contribuable” (des te meer omdat een voortvarende inning van de belasting meer in het belang van de Staat is dan in dat van de belastingplichtige). Het Hof woog het gedrag van het bedrijf en de complexiteit van de zaak mee en oordeelde dat geen van beide volstaat om meer dan veertien jaar te rechtvaardigen. Dat het Handvest geldt voor een Belgische procedure over vennootschapsbelasting, is onze lezing en geen beslissing van een rechter: Belvedere en Napfény-Toll waren btw-zaken, de aftrekposten van de inkomstenbelasting zijn niet geharmoniseerd, en het hof van beroep in Brussel noemde de aftrekregel in de eerste plaats een bepaling van intern recht, al weigerde het de aftrek in ondergeschikte orde ook op grond van de Unietrouw. Ook wie die lezing niet volgt, houdt de door Straatsburg vastgestelde schending van artikel 6 EVRM over. Voor België kan men aanvoeren dat de Commissie de aftrek juist niet wilde en het Unierecht duidelijk vond; een vraag aan Luxemburg zou volgens dat argument de procedure langer hebben gemaakt zonder de uitkomst te veranderen. Dezelfde Commissie schreef in 2012 wel dat het Hof van Justitie de vraag nog nooit had gekregen en dat de aftrek in het Belgische recht onduidelijk bleef. Het Comité van Ministers zag in 2024 ook vooruitgang en “major budgetary efforts”, maar toen liep de procedure van SIRVA al ruim twaalf jaar, en in hetzelfde besluit schreef het dat voor het hof van beroep in Brussel “a significant increase in resources appears urgently required”. Volgens het Europees Hof zelf zijn de verdragsstaten bovendien “responsables au regard de la Convention des retards imputables à leur système judiciaire” (op grond van het Verdrag verantwoordelijk voor de vertragingen die aan hun rechtssysteem te wijten zijn; Van den Kerkhof).
De wachttijd van bijna tweeënhalf jaar tot de pleitzitting, die het hof van beroep in Brussel zelf vastlegde, staat niet op de lijst van vertragingen die de regering aan het bedrijf toeschreef; dat die wachttijd past in de problemen in Brussel die het Europees Hof structureel noemt, is onze lezing, want het Europees Hof legt dat verband in SIRVA niet. Had het Grondwettelijk Hof in 2012, toen het bezwaar van SIRVA op zijn arrest wachtte, een vraag aan Luxemburg gesteld, dan was die aan het begin van de procedure gekomen. En dat België in 2023 en opnieuw in 2026 niet aantoonde dat zijn schadevordering werkt voor een procedure die nog loopt, blijft staan.
Voor Nederland kan men aanvoeren dat Straatsburg de verkorte motivering van de Hoge Raad in 2018 aanvaardde (Baydar tegen Nederland, aangehaald in Remling, punt 27), en dat de Hoge Raad verwees naar overwegingen in eigen arresten waarin hij de klachten wel besprak. Straatsburg bewaakt echter een ondergrens: volgens de officiële toelichting mag de bescherming van het Handvest “nooit lager zijn dan het niveau dat door het EVRM wordt gewaarborgd”, en het Hof van Justitie ging in Remling, met Baydar uitdrukkelijk voor ogen, verder (punten 27 tot en met 29). Als voldoende noemt het Hof van Justitie twee vormen: de hoogste rechter neemt uitdrukkelijk de gronden over van de lagere rechter in dezelfde zaak, mits die zelf heeft uitgelegd waarom een uitzondering geldt (punt 33), of de vraag is zakelijk gelijk aan een vraag waarover het Hof van Justitie al heeft beslist en hij verwijst naar die rechtspraak (punt 36). Een verwijzing naar eigen arresten van de nationale rechter in andere zaken noemt het Hof van Justitie niet; daarbuiten moet de motivering “beantwoorden aan de feitelijke en juridische omstandigheden van het betreffende geding” (punt 34). Ook kan men aanvoeren dat het Unierecht eigen regels voor handhaving en aansprakelijkheid heeft, en dat de VN-artikelen wijken waar zulke bijzondere regels gelden (artikel 55). Die eigen regels gaan volgens het Hof van Justitie uit van hetzelfde beginsel, en “des te meer” (Köbler, punt 32).
Slot
België moet de 5.000 euro binnen drie maanden betalen. In de procedure zelf lag op 15 december 2025 bij het hof van beroep in Gent onder meer nog de vraag hoe de rente op de Europese kartelboete fiscaal moet worden behandeld, veertien jaar nadat de fiscus de aftrek had geweigerd.
Verantwoording en bronnen
Dit stuk berust uitsluitend op openbare stukken: het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak SIRVA NV tegen België, de mededeling van de zaak aan de Belgische regering en de rubricering in HUDOC, eerdere arresten en een beslissing van het Europees Hof, resoluties, een besluit met de notities daarbij en de toezichtstabel van het Comité van Ministers, arresten van het Hof van Justitie en het Gerecht, de Verdragen, de toelichting bij het Handvest, de artikelen over staatsaansprakelijkheid van de VN-Commissie voor Internationaal Recht, de beschikking van de Commissie in de kartelzaak en haar opmerkingen bij het Grondwettelijk Hof, de rechtsstaatverslagen van de Commissie over België, een antwoord van de Commissie op schriftelijke vragen van een lid van het Europees Parlement, de initiatievenpagina van de Commissie, het arrest van het Grondwettelijk Hof, arresten van het Hof van Cassatie met de conclusie van de advocaat-generaal, arresten van de Hoge Raad en een uitspraak van het gerechtshof Den Haag, een wet uit het Staatsblad, de jaarverslagen van de Rechtspraak en de Hoge Raad over 2025, het jaarverslag van het Ministerie van Financiën over 2025, de Kamerbrief van 7 oktober 2026 met het handvest en de beslisnota, en een eerdere post op deze site. Het arrest van het Europees Hof is in het Frans gewezen; de vertalingen tussen haakjes zijn van ons. De opmerkingen van de Commissie bij het Grondwettelijk Hof zijn geciteerd uit de Engelse vertaling van de Commissie; het origineel is Nederlands. Alle citaten zijn letterlijk, met de spelling van de bron; de aangehaalde overwegingen en dicta zijn nagelezen in de uitspraakteksten. Duurberekeningen zijn eigen rekenwerk, tenzij de aangehaalde uitspraak ze noemt. Volgens de mededeling van de zaak en de conclusie van de advocaat-generaal dateert het vonnis van de rechtbank in Leuven van 6 februari 2015; het arrest van het Europees Hof noemt 6 december 2015, wat niet past bij het hoger beroep van 22 april 2015. Van het arrest van het Hof van Cassatie van 2 mei 2024 is alleen een uittreksel gepubliceerd. Dat Team Relocations NV en SIRVA NV dezelfde vennootschap zijn, blijkt uit het arrest van het Gerecht, dat de boete van 3,49 miljoen euro aan Team Relocations NV toeschrijft, samen met het arrest van het Europees Hof en de conclusie van de advocaat-generaal, die dezelfde boete aan SIRVA toeschrijven; volgens de Kruispuntbank van Ondernemingen heet de vennootschap sinds 10 januari 2020 SIRVA. De stand van de zaak in Gent na 15 december 2025 is niet bekend.
- EHRM 8 oktober 2026, SIRVA NV c. Belgique, verzoek 24900/24, HUDOC 001-252667, r.o. 2 tot en met 43; mededeling van de zaak 21 maart 2025, HUDOC 001-242794.
- EHRM (Grote Kamer) 3 november 2022, Vegotex International S.A. t. België, verzoek 49812/09, HUDOC 001-220771; EHRM 5 september 2023, Van den Kerkhof c. Belgique, verzoek 13630/19, HUDOC 001-226415; EHRM (Grote Kamer) 12 juli 2001, Ferrazzini t. Italië, verzoek 44759/98, HUDOC 001-59589; EHRM 18 december 2025, Swissair International Finance III c. Belgique (beslissing), verzoek 1294/22, HUDOC 001-248250.
- Comité van Ministers: CM/ResDH(2015)245, HUDOC 001-159640; CM/ResDH(2021)103, HUDOC 001-210915; CM/ResDH(2024)115, HUDOC 001-234885; besluit CM/Del/Dec(2024)1501/H46-6, punten 2, 4, 5, 7 en 8, met de notities bij de 1501e vergadering, rm.coe.int; tabel van zaken onder versterkt toezicht, juli 2026, rm.coe.int.
- HvJ 29 maart 2012, Belvedere Costruzioni, C-500/10, ECLI:EU:C:2012:186, r.o. 23 tot en met 25 en dictum; HvJ 13 juli 2023, Napfény-Toll, C-615/21, ECLI:EU:C:2023:573, r.o. 53 en 54; HvJ 16 juli 2026, QJ, C-158/25, ECLI:EU:C:2026:591 (voorlopige editie), r.o. 31, 33 en 38; HvJ (Grote kamer) 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, C-617/10, ECLI:EU:C:2013:105, r.o. 21; HvJ 11 juni 2009, X BV, C-429/07, ECLI:EU:C:2009:359, r.o. 37 tot en met 39 en dictum; HvJ 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, C-561/19, ECLI:EU:C:2021:799, r.o. 49 en 51; HvJ (Grote kamer) 24 maart 2026, Remling, C-767/23, ECLI:EU:C:2026:243, r.o. 17, 26 tot en met 29, 32 tot en met 34, 36 en 37 en dictum; HvJ 4 oktober 2018, Commissie/Frankrijk, C-416/17, ECLI:EU:C:2018:811, r.o. 106, 107 en 110 tot en met 114 en dictum; HvJ 30 september 2003, Köbler, C-224/01, ECLI:EU:C:2003:513, r.o. 32 tot en met 36, 51 tot en met 53, 55 en 56; HvJ 26 november 2013, Gascogne Sack Deutschland, C-40/12 P, ECLI:EU:C:2013:768, r.o. 97, 98 en 102; Gerecht 10 januari 2017, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne/Europese Unie, T-577/14, ECLI:EU:T:2017:1, r.o. 76, 78 en 165 en dictum.
- Gerecht 16 juni 2011, T-204/08 en T-212/08, Team Relocations e.a. t. Commissie, ECLI:EU:T:2011:286, r.o. 17; HvJ 11 juli 2013, C-444/11 P, ECLI:EU:C:2013:464; beschikking van de Commissie C(2008) 926 van 11 maart 2008, zaak COMP/38.543, ec.europa.eu.
- Verdrag betreffende de Europese Unie, artikelen 4, lid 3, en 19, lid 1; Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 110 en artikel 267, derde alinea.
- Commissie voor Internationaal Recht van de Verenigde Naties, artikelen over de aansprakelijkheid van staten voor internationaal onrechtmatige daden (2001), bijlage bij resolutie 56/83 van de Algemene Vergadering van 12 december 2001, legal.un.org, artikelen 3, 4 en 55.
- Toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten, PB 2007, C 303, p. 17, bij artikel 47 en artikel 52, lid 3.
- Europese Commissie, schriftelijke opmerkingen bij het Grondwettelijk Hof van 8 maart 2012 (Engelse vertaling van de Commissie), competition-policy.ec.europa.eu, §§ 35 tot en met 38; Grondwettelijk Hof 20 december 2012, arrest 161/2012, const-court.be, A.12.5, A.13.4, A.13.6, B.6.2, B.13 en B.14.2.
- Hof van Cassatie 4 december 2020, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201204.1N.3, r.o. 6, 11 en 14; Hof van Cassatie 2 mei 2024, SIRVA nv t. Belgische Staat, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240502.1N.8 (uittreksel), r.o. 20 en 23, fiches 2, 3, 11 en 12 en dictum, met de conclusie van de advocaat-generaal, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240502.1N.8; Kruispuntbank van Ondernemingen, ondernemingsnummer 0450.118.996, kbopub.economie.fgov.be.
- Europese Commissie, rechtsstaatverslag, hoofdstuk België: 2023, 2025, 2026; antwoord namens de Commissie van 30 mei 2013 op de schriftelijke vragen E-004024/13 en E-004025/13, PB C 33E van 5 februari 2014, p. 51; initiatief 12627, aanbeveling over de rechten van belastingplichtigen, ec.europa.eu.
- Hoge Raad 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, r.o. 3.3.3; Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3 en 3.4.4; Hoge Raad 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244, r.o. 4.4.4 en 4.12.4; Hoge Raad 18 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1494, r.o. 2.1.2, 2.1.3, 2.2.1 tot en met 2.2.3, 2.4.2, 2.4.4, 2.4.5, 2.4.7, 2.6.5, 2.7, 2.8.1, 2.8.2, 2.9.2, 2.10.2 en 2.11 en dictum; Gerechtshof Den Haag 24 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1555, r.o. 2, 3 en 5.2.
- Wet van 20 december 2023, Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507, artikel I (artikel 30a, derde lid, Wet waardering onroerende zaken), artikel II (artikel 19a, derde lid, Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992) en artikel IV, onder b.
- De Rechtspraak, Jaarverslag 2025, tabel 11 en p. 49 en 50; Hoge Raad, Jaarverslag 2025, Belastingrecht; Jaarverslag en slotwet Ministerie van Financiën 2025, Kamerstukken II 2025/26, 36 945 IX, nr. 1.
- Staatssecretaris van Financiën, brief aan de Tweede Kamer van 7 oktober 2026 (2026D49124), met het Handvest voor belastingbetalers en de beslisnota.
- Misstandendienst.nl, ‘Een farce van formaat’, 9 oktober 2026.
- Foto: Justitiepaleis in Brussel, Jorge Franganillo, 21 juni 2022, Wikimedia Commons, licentie CC BY 2.0; uitsnede en tekst door Misstandendienst.