Commissie tegen Nederland (3/8): de fiscale as

Zeven fiscale veroordelingen, van de notarissen in 1987 tot de certificaten van Curaçao en Aruba in 2019: btw-regels tegen de letter van de richtlijn in, en geld van de Unie dat Nederland niet inde of afdroeg. Deel 3 volgt de fiscale as, en laat zien wat de Hoge Raad er later mee deed.

Oranje-rode dossieromslag: Commissie tegen Nederland 3/8, ‘De fiscale as’, 7 arresten 1987–2019, alle zeven volledig, 1991: 19.765.281,39 gulden eigen middelen; ‘Niet-nakoming vastgesteld’.

In april 1983 loste het schip Equinox 117.581.478 kilo maniok uit Thailand. Voor 62.523.478 kilo daarvan bestonden invoercertificaten, afgegeven door het Duitse interventiebureau, maar zonder de naam van het schip erop. De rest, in het dictum afgerond op 60.000 ton, was zonder Thais uitvoercertificaat uitgevoerd, en de Nederlandse douane liet de partij toe tegen de verlaagde heffing van 6 procent uit de samenwerkingsovereenkomst tussen de Gemeenschap en Thailand. De Commissie had de lidstaten op 31 januari 1983 per telex gewaarschuwd dat de Equinox Thailand had verlaten met een lading waarvoor geen certificaten waren afgegeven. Acht jaar later, op 16 mei 1991, stelde het Hof van Justitie vast dat Nederland de volle heffing had moeten toepassen en dat het 19.765.281,39 gulden aan eigen middelen van de Gemeenschap had moeten vaststellen en afdragen, met rente vanaf 29 juni 1984.

Het is het grootste bedrag dat het Hof in de fiscale lijn van deze serie in een dictum noemde, en het patroon erachter keert in alle zeven arresten van dit deel terug. Waar deel 2 liet zien hoe Nederland zijn milieurichtlijnen niet omzette, gaat dit deel over de belastingkant: de btw, de douane en het geld dat de lidstaat voor de Unie moet innen. Zeven keer kwam de Commissie naar Luxemburg met een fiscale zaak waarin het Hof Nederland volledig in het ongelijk stelde, van de notarissen in 1987 tot de certificaten van Curaçao en Aruba in 2019. Vier daarvan gingen over de btw, drie over de eigen middelen van de Unie. Deel 1 gaf het scorebord van alle 88; deel 2 volgde de waterlijn.

Een ambt is nog geen overheid

De eerste fiscale veroordeling kwam op 26 maart 1987 en ging over notarissen en gerechtsdeurwaarders. Nederland hief geen btw over hun ambtelijke werkzaamheden, de handelingen die zij krachtens de wet verrichten. De Commissie had het verzoekschrift op 30 juli 1985 neergelegd; het Hof hoorde partijen op 2 december 1986 en advocaat-generaal Lenz concludeerde op 12 februari 1987. Den Haag voerde drie verweren, en het Hof verwierp ze alle drie. Eerst: zij zouden “niet een activiteit uitoefenen waarvoor de normale economische wetten gelden”, maar tegen een wettelijk tarief diensten verrichten waarvan burgers “om redenen van algemeen belang dwingend gebruik moeten maken”. Het Hof antwoordde dat het begrip economische activiteit een objectief karakter heeft en dat het “niet ter zake dienend” is dat het om bij de wet opgedragen ambtsverrichtingen gaat. Dan: zij zijn niet zelfstandig, omdat zij “door de Kroon worden benoemd, onder tuchtrechtelijk toezicht staan van de overheid” en hun bezoldiging bij de wet is bepaald. Het Hof stelde daartegenover dat zij “niet in het staatsapparaat zijn opgenomen”, voor eigen rekening werken en zelf hun vergoedingen ontvangen. En ten slotte: zij zijn publiekrechtelijke lichamen en delen in de vrijstelling voor de overheid. Het Hof gaf het antwoord dat de zaak besliste: gesteld al dat zij overheidsgezag uitoefenen, “dan volgt daaruit mitsdien nog niet, dat zij aanspraak kunnen maken op de vrijstelling”, want zij oefenen hun activiteiten uit “in het kader van een vrij beroep” en maken geen deel uit van het staatsapparaat. Niet-nakoming vastgesteld, kosten voor Nederland.

De auto van de werknemer

Veertien jaar later, op 8 november 2001, ging het om een regeling die economisch verdedigbaar was en juridisch toch niet kon. Artikel 23 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 liet een werkgever als voorbelasting 12 procent aftrekken van de kostenvergoeding die hij aan een werknemer betaalde voor het zakelijk gebruik van diens eigen auto, tot 0,60 gulden per kilometer. De Commissie schreef er in februari 1993 voor het eerst over, stuurde in mei 1995 een aanmaning en in oktober 1996 een aanvullende. Het antwoord van Den Haag van 16 december 1996 is de meest onthullende brief van dit deel: de regering ontkende niet dat de regeling “op gespannen voet staat met de tekst” van de richtlijn, maar betoogde dat de beginselen van de btw “moeten prevaleren boven de tekst van de richtlijn”. Nederland verdedigde dus bewust een regeling tegen de letter van het Europese recht in, en kreeg daarbij steun van het Verenigd Koninkrijk, dat in de procedure tussenkwam.

Het Hof was het op een punt met Nederland eens: de uitkomst van de richtlijntekst strookt “wellicht niet volledig” met doelstellingen als de neutraliteit van de belasting en het voorkomen van dubbele heffing. Maar het recht op aftrek geldt alleen voor btw die is voldaan voor goederen en diensten die “door een andere belastingplichtige” zijn geleverd, en “wanneer een werknemer zijn eigen voertuig gebruikt in het kader van de activiteiten van zijn werkgever”, is dat geen levering aan die werkgever. Zonder levering geen factuur, en zonder factuur geen aftrek. Reparatie van die uitkomst is een zaak van de gemeenschapswetgever, niet van de rechter. Beide middelen van de Commissie slaagden; het Verenigd Koninkrijk droeg zijn eigen kosten.

Paarden en een komma

De derde btw-zaak is de meest ontluisterende in haar tijdlijn. Nederland paste het verlaagde tarief van 6 procent toe op alle leveringen van paarden, waar de richtlijn het lage tarief alleen toestaat voor levende dieren die gewoonlijk bestemd zijn voor de bereiding van levensmiddelen. Op de aanmaning van 10 april 2006 antwoordde Den Haag op 27 juni 2006 dat het tarief inderdaad “te ruim werd toegepast” en dat een wetsvoorstel “wellicht op 1 januari 2007” in werking zou treden. Het voorstel kwam er, de Kamercommissie voor Financiën begon eraan, en op 31 maart 2008 liet de regering de Commissie weten dat zij het “niet opportuun” achtte het voorstel goed te keuren. Daarna procedeerde de Staat, gesteund door Duitsland en Frankrijk, drie jaar door over een standpunt dat hij zelf had prijsgegeven.

Het verweer hing aan een leesteken. In de oorspronkelijke tekst van de bijlage scheidt een puntkomma de “levensmiddelen voor menselijke en dierlijke consumptie” van de levende dieren die daarvoor bestemd zijn; in de Nederlandse, Deense, Franse en Italiaanse versie was die puntkomma “vervangen door een gewone komma”, en daarop bouwde Nederland de stelling dat elk paard onder het lage tarief valt. Het Hof herstelde de bedoeling van de wetgever aan de hand van de oorspronkelijke tekst: paarden zijn “niet gewoonlijk en in het algemeen bestemd voor gebruik bij de bereiding van levensmiddelen, ook al worden sommige paarden daadwerkelijk voor menselijke of dierlijke consumptie aangewend”. Alleen de levering van een paard voor de slacht mag laag belast worden. Het arrest van 3 maart 2011 stelde de niet-nakoming vast.

Ligplaatsen zonder sport

De vierde btw-zaak, op 25 februari 2016, ging over de vrijstelling voor diensten die nauw samenhangen met sport. Nederland stelde de verhuur van lig- en bergplaatsen door watersportverenigingen vrij, ook aan leden die hun boot recreatief of zelfs als woning gebruikten, en beperkte die vrijstelling tegelijk tot verenigingen zonder betaald personeel. De aanmaning kwam op 9 oktober 2009, het advies op 28 juni 2010, het beroep op 19 januari 2015. Het Hof deed de zaak zonder conclusie van de advocaat-generaal af. Blijkens de tekst van het arrest erkende Nederland zelf dat de vrijstelling de verhuur omvat aan leden “die hun vaartuig louter recreatief of zelfs residentieel gebruiken”; daarmee was de eerste grief in feite beslist. Het praktische verweer dat sportief en recreatief gebruik niet te onderscheiden zijn, wees het Hof in één alinea af. De personeelsvoorwaarde sneuvelde omdat de richtlijn een uitsluiting wegens concurrentievervalsing alleen “van geval tot geval” toestaat, en aan de vraag of er werkelijk concurrentievervalsing was, kwam het Hof niet eens toe. Beide grieven aanvaard, kosten voor Nederland.

Het geld van de Unie: de Equinox

De drie zaken over de eigen middelen laten een ander verwijt zien: niet een verkeerde belastingregel, maar een lidstaat die het geld van de Unie niet inde of niet afdroeg. De maniokzaak is de oudste en de rijkste aan detail. De Commissie waarschuwde per telex op 31 januari 1983 en nogmaals op 6 mei 1983; Nederland meldde op 16 juni 1983 wat de Equinox had gelost. Daarna verstreek de tijd: aanmaning op 25 juli 1985, met redenen omkleed advies op 29 januari 1988, verzoekschrift op 21 maart 1989. Nederland maakte van die traagheid zijn eerste verweer: meer dan vijf jaar wachten schaadde het recht van verweer en leverde “onaanvaardbare financiële consequenties” op. Het Hof verwierp het, en noteerde de verklaring van de Commissie dat zij had gewacht op het Krohn-arrest van januari 1987, over dezelfde handelaar voor wiens rekening de Equinox voer. Wie de rente wilde vermijden, had onder voorbehoud kunnen betalen.

Inhoudelijk was het Hof scherp. Nederland had “zelfs geen begin van bewijs” geleverd dat de lading onderweg was overgeladen. De praktische moeilijkheden die de douane aanvoerde, waren “niet ernstig te noemen”: de inklaringsdiensten “hadden gemakkelijk contact kunnen opnemen” met de Duitse collega’s die de certificaten hadden afgegeven. En over de weigering het bedrag als eigen middelen vast te stellen omdat de vordering werd betwist: uit de verordening kan niet worden afgeleid “dat de Lid-Staten zich ervan mogen onthouden vorderingen vast te stellen, zelfs niet indien zij ze betwisten”, want “anders zou men moeten accepteren dat het financiële evenwicht van de Gemeenschap, zij het ook slechts tijdelijk, kan worden verstoord door het willekeurig gedrag van een Lid-Staat”. De rente is verschuldigd “onverschillig om welke reden de boeking op de rekening van de Commissie met vertraging is geschied”.

Twee dagen, drie maanden, elf jaar

Het tweede eigen-middelenarrest, van 14 april 2005, begon met een controle van de Commissie in het douanedistrict Rotterdam van 10 tot en met 14 januari 1994. Bij extern communautair douanevervoer dat niet tijdig wordt gezuiverd, moet de lidstaat van vertrek de douaneschuld boeken zodra de aangever drie maanden na de kennisgeving geen bewijs van regelmatigheid heeft geleverd, en wel binnen twee dagen. Nederland deed dat stelselmatig later, in de jaren 1991 tot en met 1995, en betwistte de feiten niet; het erkende in de procedure dat het de inning pas “enkele maanden na het verstrijken van deze termijn van drie maanden” aanving. Het verweer was principieel: de termijn van drie maanden “is een proceduretermijn en geen bindende termijn”, en boeken binnen twee dagen “zou geen recht doen aan de vereiste zorgvuldigheid en dus inbreuk maken op de rechten van de justitiabelen”, want de zuivering is “een massaal proces”. Het Hof opende zijn antwoord met één zin: “Deze stelling dient te worden verworpen.” Een aangever die alsnog gelijk krijgt, kan terugbetaling vragen.

De rekening was al in december 1996 opgemaakt: 5.323.395,06 gulden aan vertragingsrente, te betalen vóór 23 februari 1997. Nederland weigerde op 1 oktober 1997, betwistte later “noch de hoogte” van de rente “noch het feit dat zij niet is betaald”, en kreeg in 2005 alle drie de grieven tegen zich: te late boeking, te late terbeschikkingstelling van de eigen middelen, en de geweigerde rente, die verschuldigd is “ongeacht de reden voor de te late boeking”. Tussen de eerste controlebrief van 6 juni 1994 en het arrest lagen bijna elf jaar.

Curaçao en Aruba: de rekening komt bij het Koninkrijk

Het jongste arrest van de as is ook het zwaarste in bezetting: de Grote kamer van het Hof, onder president Lenaerts, op 31 oktober 2019. De douaneautoriteiten van Curaçao hadden in de jaren 1997 tot en met 2000 certificaten van oorsprong afgegeven voor melkpoeder en rijst, en die van Aruba in 2002 en 2003 voor gries en griesmeel, terwijl de goederen daar niet voor in aanmerking kwamen. Met die certificaten kwam de invoer in de Unie vrij van douanerechten binnen. Het antifraudebureau OLAF rapporteerde erover in 2000 en 2004; de Nederlandse en Duitse douane stelden nog een deel van de rechten vast, en “de rest was verjaard”. De feiten waren niet in geschil. Het geschil ging over de vraag wie de rekening draagt.

Den Haag wees vanaf de aanmaning van 21 november 2013 “elke aansprakelijkheid” af en herhaalde dat in het antwoord op het advies; dat antwoord kwam pas op 19 november 2015, elf maanden na de gestelde termijn. Het kernstandpunt: de landen en gebieden overzee zouden “met betrekking tot de invoer van goederen in de Unie als derde landen moeten worden beschouwd” en zouden geen integraal onderdeel van de lidstaat zijn; hun constitutionele autonomie zou aan toerekening in de weg staan. Het Hof draaide het om. Juist de bijzondere betrekkingen tussen het Koninkrijk en zijn overzeese landen scheppen “een specifieke aansprakelijkheid jegens de Unie”, die zich uitstrekt “tot elke fout van de autoriteiten van dit LGO”, en die verplichting moet “uiterst stipt worden nageleefd”. Over het autonomieberoep stelde het Hof vast dat Nederland “niet uiteenzet” hoe aansprakelijkheid van de lidstaat die autonomie zou schenden. Niet-nakoming van de loyale samenwerking, kosten voor Nederland. Hoe groot het verlies was, zegt het arrest niet.

Buiten de as

Het fiscale cluster van de 88 is groter dan deze zeven. Nederland won in dezelfde periode vier btw-zaken: over de inruilregeling voor gebruikte goederen (1985), de tolgelden (2000), het uitlenen van personeel in de zorg en het onderwijs (2010) en de fiscale eenheid met holdings (2013), en een eigen-middelenzaak over TIR-carnets (2006). Die verwerpingen krijgen hun plaats in deel 7, ‘Wat Nederland won’. Twee veroordelingen liggen aan de rand van de as en blijven hier buiten beschouwing: de boter die in douane-entrepots werd opgemaakt in kleinverpakking (1983) en de exitheffing bij zetelverplaatsing (2013). Alle veertien tellen mee in het scorebord van deel 1.

En dan: wat deed Den Haag ermee?

De zeven arresten van de as zijn samen in zeven uitspraken van de Hoge Raad en 27 conclusies van het parket aangehaald, geteld op de stand van het register van 4 september 2026 en op elke schrijfwijze van het zaaknummer. Het notarissenarrest voert de lijst aan met drie uitspraken en dertien conclusies; de maniokzaak staat op nul. Wie die zeven uitspraken leest, ziet hetzelfde als in deel 2: de veroordeling van de Staat in Luxemburg is geen wapen voor de belastingplichtige in Den Haag.

Het notarissenarrest komt terug als definitie-anker. In 2002 gebruikte de Hoge Raad de punten 18 tot en met 21 ervan in de zaak van een waterschap dat een rioolwaterzuiveringsinstallatie had gebouwd en voor die installatie aanspraak maakte op herziening van 3.572.107 gulden aan voorbelasting; het teruggaafverzoek van 3.566.248 gulden was bij beschikking van 29 mei 1995 afgewezen, en de Hoge Raad legde de vraag voor aan het Hof van Justitie. In 2014 stond het arrest tweemaal in zaken van gemeenten: bij de gemeente Aalten, over schoolgebouwen, voor de regel dat de btw “een zeer ruime werkingssfeer” heeft, waarna de gemeente in cassatie won; bij de gemeente Borsele, over leerlingenvervoer, voor het objectieve karakter van het begrip economische activiteit, waarna de Hoge Raad opnieuw prejudiciële vragen stelde. Het paardenarrest dook in 2019 op in de zaak van een seksboetiek die lustopwekkende capsules tegen het lage voedingsmiddelentarief verkocht; de Hoge Raad haalde er de doelstelling van het lage tarief en de driedeling van levensmiddelen uit, en vroeg het Hof van Justitie om uitleg.

Het ligplaatsenarrest laat het scherpst zien hoe weinig een inbreukarrest voor een burger oplevert. In 2018 beriep een jachthavenvereniging zich op het verlaagde tarief voor sportbeoefening; het gerechtshof had geoordeeld dat uit het arrest van 2016 niet kan worden afgeleid dat het verhuren van een ligplaats het verlenen van het recht om gebruik te maken van een sportaccommodatie is, en de Hoge Raad liet dat in stand, tegen de conclusie van de advocaat-generaal in. In 2024 had een verhuurder van kajuitzeiljachten het omgekeerde probleem: het gerechtshof had uit hetzelfde arrest een onderscheid tussen zeilen als sport en recreatief zeilen gehaald. De Hoge Raad zette dat opzij: uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, “anders dan waarvan het Hof is uitgegaan” (lees: het gerechtshof), volgt niet dat het ervan afhangt of een activiteit in wedstrijdverband of recreatief plaatsvindt, en het arrest van 2016 ging over vaartuigen die niet geschikt zijn voor sport. De belastingplichtige won, met een teruggaaf van 10.545 euro, maar niet dankzij het inbreukarrest: de Hoge Raad moest het juist wegschuiven. En het douanevervoerarrest van 2005 hielp in 2009 alleen de Staat, als steunverwijzing in de zaak van een expediteur die 2.400 colli knoflook naar Italië had laten vervoeren en van de Nederlandse douane een uitnodiging tot betaling kreeg; het cassatieberoep werd verworpen.

In geen van die zeven uitspraken was het inbreukarrest tegen de Staat de dragende grond. Drie keer stelde de Hoge Raad vragen aan Luxemburg, twee keer won de Staat, één keer won een gemeente, en één keer won een ondernemer omdat de Hoge Raad het inbreukarrest opzijzette. Wat Luxemburg de Staat verweet, was in Den Haag een bron van definities geworden.

Wat volgt

Deel 4 gaat over de meldingsplicht: de drie veroordelingen onder richtlijn 83/189 over bloembollen, kilowattuurmeters en het Margarinebesluit, de rechtstreekse voorgeschiedenis van het Securitel-dossier.

Verantwoording en bronnen

De cijfers komen uit hetzelfde zaakregister als in de delen 1 en 2 (peildatum 21 augustus 2026) en uit het register van de Hoge Raad en zijn parket op de stand van 4 september 2026 (uitspraken en conclusies van 2000 tot en met 1 september 2026). Voor de doorwerking is per arrest gezocht op elke schrijfwijze van het zaaknummer, voor de oudere zaken ook zonder de letter C, en op de ECLI; de cijfers zijn een ondergrens. De telregel is die van de delen 1 en 2: alle zeven arresten van dit deel zijn volledige veroordelingen, zonder verworpen of ingetrokken grief. De oudere arresten staan op EUR-Lex in kapitalen; citaten daaruit zijn hier in gewone letters gezet en verder woordelijk overgenomen. Alle veertien arresten van het fiscale cluster en de zeven uitspraken van de Hoge Raad zijn voor dit deel integraal nagelezen.

  • HvJ 26 maart 1987, zaak 235/85 (Commissie/Nederland), Jur. 1987, p. 1471, ECLI:EU:C:1987:161: arresttekst op EUR-Lex. Notarissen en gerechtsdeurwaarders; r.o. 5, 9, 10, 12, 14, 16, 22 en dictum.
  • HvJ 8 november 2001, zaak C-338/98 (Commissie/Nederland), Jur. 2001, p. I-8265, ECLI:EU:C:2001:596: arresttekst op EUR-Lex. Autokostenvergoeding; r.o. 9, 10, 17, 20 tot en met 26, 44, 47, 55, 56, 61, 75 tot en met 77 en dictum.
  • HvJ 3 maart 2011, zaak C-41/09 (Commissie/Nederland), ECLI:EU:C:2011:108: arresttekst op EUR-Lex. Verlaagd tarief paarden; r.o. 12, 14 tot en met 19, 46, 49, 56, 57, 68 en dictum.
  • HvJ 25 februari 2016, zaak C-22/15 (Commissie/Nederland), ECLI:EU:C:2016:118: arresttekst op EUR-Lex. Lig- en bergplaatsen; r.o. 8 tot en met 12, 23, 30, 36, 38, 44 tot en met 46 en dictum.
  • HvJ 16 mei 1991, zaak C-96/89 (Commissie/Nederland), Jur. 1991, p. I-2461, ECLI:EU:C:1991:213: arresttekst op EUR-Lex. Maniok en eigen middelen; r.o. 9, 10, 11, 14 tot en met 17, 22, 28, 29, 37, 38 en dictum.
  • HvJ 14 april 2005, zaak C-460/01 (Commissie/Nederland), ECLI:EU:C:2005:218: arresttekst op EUR-Lex. Extern communautair douanevervoer; r.o. 30 tot en met 40, 52, 55, 57, 58, 68, 79, 91, 92 en dictum.
  • HvJ 31 oktober 2019, zaak C-395/17 (Commissie/Nederland), ECLI:EU:C:2019:918: arresttekst op EUR-Lex. Certificaten Curaçao en Aruba; r.o. 43 tot en met 48, 64, 65, 88, 93, 96, 106, 111, 112 en dictum.
  • Buiten de as: HvJ 10 juli 1985, zaak 16/84, ECLI:EU:C:1985:309 (EUR-Lex); HvJ 12 september 2000, zaak C-408/97, ECLI:EU:C:2000:427 (EUR-Lex); HvJ 25 maart 2010, zaak C-79/09, ECLI:EU:C:2010:171 (EUR-Lex); HvJ 25 april 2013, zaak C-65/11, ECLI:EU:C:2013:265 (EUR-Lex); HvJ 5 oktober 2006, zaak C-312/04, ECLI:EU:C:2006:643 (EUR-Lex); HvJ 20 april 1983, zaak 49/82, ECLI:EU:C:1983:100 (EUR-Lex); HvJ 31 januari 2013, zaak C-301/11, ECLI:EU:C:2013:47 (EUR-Lex).
  • HR 18 oktober 2002, nr. 36663, ECLI:NL:HR:2002:AD9787 (rechtspraak.nl), r.o. 4.3.5 en 4.5; HR 25 april 2014, nr. 13/00959, ECLI:NL:HR:2014:979 (rechtspraak.nl), r.o. 4.4.2 en 5.7; HR 7 november 2014, nr. 12/02683, ECLI:NL:HR:2014:3122 (rechtspraak.nl), r.o. 4.3.3 en 4.5; HR 19 april 2019, nr. 17/01725, ECLI:NL:HR:2019:643 (rechtspraak.nl), r.o. 3.2.5, 3.2.7, 3.4.3 en 3.6; HR 15 juni 2018, nr. 16/05180, ECLI:NL:HR:2018:912 (rechtspraak.nl), r.o. 2.2 en 2.4; HR 14 juni 2024, nr. 22/01928, ECLI:NL:HR:2024:854 (rechtspraak.nl), r.o. 3.4, 4.3 en 6; HR 13 maart 2009, nr. 43313, ECLI:NL:HR:2009:BH5559 (rechtspraak.nl), r.o. 3.3.3 en 5.