Commissie tegen Nederland (5/8): mensen aan de grens
Vijf keer veroordeelde het Hof Nederland omdat de Staat mensen met Europese rechten tekortdeed: vragen aan de grens, verwijdering van veroordeelde Unieburgers, leges van honderden euro’s, studiefinanciering die aan drie jaar verblijf in de laatste zes hing. Eenmaal verwierp het Hof het beroep.
Wie als onderdaan van een andere lidstaat Nederland binnenkwam, moest desgevraagd vertellen wat het doel en de duur van zijn verblijf waren en aantonen over welke middelen hij beschikte. Pas daarna werd hij toegelaten. Dat stond in artikel 23 van het Vreemdelingenbesluit van 19 september 1966, en het Hof van Justitie had op 30 mei 1991 drie korte overwegingen nodig om die eis weg te nemen: de overlegging van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort is “de enige voorafgaande voorwaarde” waaraan een lidstaat de toelating mag onderwerpen.
Dit deel gaat over de zes keer dat de Europese Commissie naar Luxemburg kwam met een zaak waarin het om mensen ging: reizigers aan de grens, veroordeelde Unieburgers, Turkse staatsburgers, langdurig ingezeten derdelanders, kinderen van grensarbeiders en studenten. Vijf keer stelde het Hof een niet-nakoming vast. Eenmaal verwierp het Hof het beroep van de Commissie volledig, en die zaak staat aan het slot, want de manier waarop de Staat wint, zegt iets over de manier waarop hij verliest. Deel 1 gaf het scorebord van alle 88 zaken, deel 3 de fiscale as en deel 4 de meldingsplicht.
Wat deze zes zaken verbindt, is een terugkerende vorm. In vijf ervan maakt de Nederlandse regeling geen werkende uitzondering voor wie door het Europese recht beschermd is, en legt bij die persoon een last neer voordat hij het recht krijgt dat hij al heeft: een antwoord, een bewijs, drie jaar verblijf of een bedrag aan de kassa.
Doel, duur en middelen
Artikel 23 van het Vreemdelingenbesluit van 1966 gold voor “vreemdelingen die Nederland inreizen” in het algemeen. Zij waren verplicht desgevraagd aan een ambtenaar belast met de grensbewaking het reisdocument te vertonen, “inlichtingen te verstrekken over het doel en de duur van hun voorgenomen verblijf in Nederland” en “aan te tonen over welke middelen zij met het oog op de toegang tot Nederland beschikken of kunnen beschikken”. Artikel 23, eerste lid, noemde geen bedrag en geen drempel voor wat genoeg geld was. De Commissie beperkte haar beroep tot onderdanen van de lidstaten en liet controles wegens openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid uitdrukkelijk buiten het geding.
Het arrest geeft maar een enkel inhoudelijk verweer van Nederland weer. Volgens dat verweer golden de richtlijnen alleen voor wie krachtens het Verdrag een verblijfsrecht had, en daarom waren de lidstaten bevoegd “aan de grenzen bij wijze van steekproef controles te verrichten” om na te gaan of iemand dat recht wel had. Het Hof wees dat af. Aan de enige voorwaarde van artikel 3 van beide richtlijnen “kan niet de voorwaarde worden toegevoegd, dat betrokkene het bewijs levert dat hij tot een van de door de richtlijnen bedoelde categorieën personen behoort”. Dat bewijs mag de overheid pas verlangen bij de afgifte van een verblijfskaart of verblijfsvergunning, en dus niet in de rij bij de grens. Daarna volgde de regel die het arrest draagt: “Meer in het algemeen kan de verplichting, aan ambtenaren belast met de grensbewaking vragen te beantwoorden, geen voorafgaande voorwaarde zijn voor de toelating van een onderdaan van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat.”
Op het woord “voorafgaande” komt het hier aan. Controleren of het getoonde document echt geldig is, mag wel, want artikel 3 van beide richtlijnen eist nu eenmaal een geldig document. Dat kleine gelijk kreeg het Verenigd Koninkrijk, dat op 4 oktober 1989 aan Nederlandse zijde in de procedure was toegelaten.
Het dictum is smaller dan het verzoekschrift. Het Hof stelde de niet-nakoming van de verplichtingen uit de richtlijnen 68/360 en 73/148 vast, maar liet het verdragsrechtelijke deel van de vordering vallen: van de ingeroepen verdragsbepalingen stond alleen artikel 3, aanhef en onder c, in het met redenen omkleed advies, en de Commissie had er geen afzonderlijk middel over aangevoerd. De kern werd toegewezen en Nederland werd in de kosten verwezen; het Verenigd Koninkrijk droeg zijn eigen kosten. Het arrest telt achttien overwegingen en wijdt er geen enkele aan de vraag hoelang de regeling al bestond. De norm zelf was op dat moment niet nieuw: het Hof had haar op 27 april 1989 in vrijwel dezelfde bewoordingen uitgesproken in een zaak tegen België, ruim twee jaar voor dit arrest.
Eenieder die niet de Nederlandse nationaliteit bezit
Zestien jaar later ging het om Unieburgers die in Nederland waren veroordeeld. De zaak begon met klachten van die mensen zelf: “Enkele in Nederland tot gevangenisstraffen veroordeelde burgers van de Unie hebben bij de Commissie klachten ingediend over hun ongewenstverklaring om redenen van openbare orde door de Nederlandse autoriteiten.”
De Vreemdelingenwet 2000 kende wel het begrip gemeenschapsonderdaan, maar artikel 67 gold voor iedere vreemdeling, in de woorden van het Hof “eenieder die niet de Nederlandse nationaliteit bezit”, en dus ook voor Unieburgers. Dat artikel maakte ongewenstverklaring mogelijk bij een onherroepelijke veroordeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. Het ging dus om het strafmaximum en niet om de opgelegde straf. De verklaring had een absoluut gevolg en maakte het verblijf zelf onrechtmatig: “In afwijking van artikel 8 kan de ongewenst verklaarde vreemdeling geen rechtmatig verblijf hebben.”
Daarin zat de cirkelredenering. Nederland betoogde dat Unieburgers zonder rechtmatig verblijf buiten richtlijn 64/221 vielen, en dat voor hen gewoon de nationale vreemdelingenwet gold. Dat gold volgens Den Haag in het bijzonder voor wie zijn nationaliteit niet kon aantonen met een geldig paspoort, en voor wie een beroep op de openbare kas had gedaan, “zoals klagers”, wat “automatisch verlies van het verblijfsrecht” meebracht. Wie geen geld had, verloor daarmee de waarborgen van het Europese recht.
Het Hof verwierp die lezing in twee stappen. Zouden Unieburgers die niet rechtmatig verblijven, van de waarborgen worden uitgesloten, “dan zou dit de effectieve werking van de bepalingen van deze richtlijn grotendeels tenietdoen”. En dus moest worden vastgesteld dat een uitlegging volgens welke de richtlijn uitsluitend van toepassing is op wie rechtmatig verblijft, “niet in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht”. Nederland voerde nog aan dat er geen automatisme was, omdat de autoriteiten een beoordelingsbevoegdheid hadden en de gezinssituatie meewogen. Het Hof stelde vast dat een volledig automatische koppeling niet was aangetoond, maar dat de regeling verwijdering buiten de waarborgen om mogelijk maakte: het valt niet uit te sluiten dat tegen iemand, “ook al wordt rekening gehouden met gezinsoverwegingen”, een uitzettingsbesluit wordt genomen zonder dat het op zijn persoonlijk gedrag berust. Ook een zorgvuldige afweging door de autoriteiten kon dus niet goedmaken dat het kader verkeerd was.
Het scherpst is wat Nederland in het verweerschrift zelf schreef. Nederland erkende, na latere rechtspraak van het Hof, “dat iedere burger van de Unie onder de werkingssfeer van richtlijn 64/221 valt, en dat hem alle materiële en procedurele waarborgen uit hoofde van deze richtlijn toekomen”, en kondigde aanpassing aan bij de omzetting van richtlijn 2004/38. In datzelfde stuk hield het de exceptie van niet-ontvankelijkheid overeind. Die aangekondigde aanpassing hielp niet: beslissend is de situatie aan het einde van de termijn in het met redenen omkleed advies. Tussen de aanmaning van 19 december 2002 en het arrest van 7 juni 2007 lagen vier jaar en ruim vijf maanden. Daarvan besloeg de briefwisseling zelf de periode van december 2002 tot september 2004; daarna liet de Commissie nog ruim zestien maanden verstrijken voordat zij procedeerde. Ook de toezichthouder treuzelt.
De prijs van een verblijfsvergunning
Tot in 1993 hief Nederland van vreemdelingen geen leges voor het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning. Vanaf 1 februari 1994 wel, en het verschil met wat een Unieburger betaalde, was volgens het Hof in 2003 en 2005 nog groter dan in 2002. De tabel in het arrest van 29 april 2010 maakt het zichtbaar; Nederland betwistte die cijfers niet. Op 15 februari 1994 betaalde een Unieburger 35 gulden en een Turkse staatsburger tussen 125 en 1.000 gulden. Op 1 mei 2002 was dat 26 euro tegenover 50 tot 539 euro. Op 1 januari 2003 betaalde een Unieburger 28 euro en een Turkse staatsburger tussen 285 en 890 euro. Op 1 juli 2005 was dat 30 euro tegenover 52 tot 830 euro.
De Nederlandse verdediging liep langs verschillende lijnen. De opmerkelijkste luidde: wie wil immigreren, heeft normaal gesproken genoeg geld, en anders kunnen de betrokkenen “het nodige bedrag eventueel lenen”. Daarnaast waren de leges volgens Nederland op de kostprijs gebaseerd, want Turkse staatsburgers betaalden “niet meer dan 70 %” van de behandelkosten en de Staat droeg de rest. Het Hof wees het kostenargument af zoals het dat in de zaak Sahin al had gedaan. Ook het beroep op de “fundamentele verschillen” tussen Turkse staatsburgers en Unieburgers faalde, omdat de associatieovereenkomst juist toenadering van beide situaties beoogt.
Het laatste verweer voerde Nederland ter terechtzitting aan en het was technisch juist. De Commissie sprak van “hogere” leges, terwijl het Hof in Sahin het criterium “onevenredig” hanteerde. Het Hof gaf dat toe: hogere leges zijn niet noodzakelijk onevenredig, en leges die enigszins hoger zijn, kunnen in bijzondere gevallen evenredig zijn. Dat hielp Nederland niet, want het ruimere begrip omvat het engere, en de Commissie had haar grief ter terechtzitting zelf tot onevenredige leges teruggebracht. Beslissend was de meting zelf: het laagste Turkse bedrag was meer dan twee derde hoger dan het EU-tarief, en zo’n verschil is niet gering. Daarmee waren de leges in hun geheel onevenredig, en bovendien discriminerend.
Nederland verlaagde de bedragen per 17 september 2009, de dag waarop het arrest Sahin werd gewezen, midden in de lopende procedure. Te laat om mee te tellen. In dezelfde procedure erkende Nederland dat de eerder geheven leges te hoog waren, en verdedigde het in dezelfde adem de hoogte met de behandelkosten.
Als betaling achterwege blijft
Twee jaar later ging het over dezelfde kassa, maar over een andere groep en een andere maatstaf. Artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zegt het onomwonden: “Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen dan wel het document niet afgegeven.”
Wat de betaling was, hing af van wie je was. Voor de status van langdurig ingezetene 201 euro. Voor verblijf in Nederland als je die status in een andere lidstaat had verworven, 331 of 433 euro. Voor een meereizend gezinslid 188 euro; voor het eerste gezinslid dat zich later bij je wilde voegen, 830 euro, en voor elk volgend gezinslid opnieuw 188 euro. Alleen Turkse staatsburgers waren in die tarieftabel uitgezonderd.
Het Hof gaf Nederland eerst op drie punten gelijk. Richtlijn 2003/109 stelt geen bedrag vast, de Uniewetgever had bewust afgezien van het voorstel van de Commissie om de vergunning kosteloos of hooguit tegen het tarief van een identiteitskaart af te geven, en leges mogen variëren naar het type vergunning en de zwaarte van het onderzoek. Maar die beoordelingsruimte is niet onbegrensd. Wie aan de voorwaarden voldoet, heeft recht op de status, en leges mogen niet tot doel of tot gevolg hebben dat het verkrijgen ervan wordt belemmerd. Leges met aanzienlijke financiële gevolgen kunnen de betrokkenen de mogelijkheid ontnemen hun rechten te doen gelden.
De beslissende meting is een andere dan in de Turkse zaak. Het Hof legde de bedragen niet naast wat een Unieburger betaalt, maar naast wat een Nederlander betaalt voor zijn identiteitskaart. Zelfs het laagste bedrag was ongeveer zeven keer zo hoog. De berekening van de Commissie, dat de leges zeven tot zevenentwintig keer hoger waren dan die voor Unieburgers, liet het Hof uitdrukkelijk onbesproken, omdat de leges op zichzelf al onevenredig waren. Nederland had nog geprobeerd het geding te beperken tot de aanvraag van de status zelf, zodat wie die status al in een andere lidstaat had, en de gezinsleden, erbuiten zouden vallen. Dat lukte niet: de veroordeling omvat ook hen. Griekenland was aan Nederlandse zijde tussengekomen.
Drie jaar van de zes
Nog geen twee maanden later, op 14 juni 2012, viel het oordeel over de studiefinanciering. De 3-uit-6-regel in de Wet studiefinanciering 2000 gaf meeneembare studiefinanciering in beginsel alleen aan wie in de zes jaar voor inschrijving ten minste drie jaar rechtmatig in Nederland had verbleven; voor studie in bepaalde grensstreken in België en Duitsland gold een uitzondering die volgens het arrest tot 1 januari 2014 liep. Wie in Nederland werkte maar in België of Duitsland woonde, voldeed niet aan die verblijfseis, en zijn kinderen dus ook niet.
Vier lidstaten stonden aan Nederlandse zijde: België, Denemarken, Duitsland en Zweden. Nederland voerde aan dat de situaties niet vergelijkbaar waren, dat de regel nodig was om studentenmobiliteit te bevorderen, dat schrapping “onaanvaardbare financiële gevolgen” zou hebben en dat zonder de regel misbruik dreigde.
Op twee punten kreeg Nederland gelijk. De bevordering van studentenmobiliteit is een dwingend vereiste van algemeen belang, verankerd in het Verdrag, en de 3-uit-6-regel is geschikt om dat doel te bereiken, omdat de Nederlandse aannames voor de meerderheid van de studenten opgaan. Het Hof verwierp het budgettaire argument op principiële gronden. Budgettaire overwegingen kunnen discriminatie van migrerende werknemers niet rechtvaardigen, want anders zouden toepassing en strekking van “een zo fundamentele regel van het recht van de Unie als die van het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, zowel in de tijd als in de ruimte kunnen variëren naargelang van de toestand van de openbare financiën van de lidstaten”.
Waar het uiteindelijk op vastliep, is de onderbouwing. De bewijslast van de evenredigheid rust op de lidstaat, en die hoeft niet elke denkbare alternatieve maatregel uit te sluiten. Maar Nederland had op zijn minst moeten aantonen waarom het juist voor drie jaar uit zes had gekozen, en het volstond niet te wijzen op twee alternatieven die zelf nog discriminerender zouden zijn. De regel werd te exclusief bevonden: wonen is niet noodzakelijk de enige band die telt, en wie tot de arbeidsmarkt toetreedt, draagt via zijn belastingen zelf aan het stelsel bij.
De zaak die de Staat won
Op 2 juni 2016 verwierp het Hof het beroep van de Commissie over de reisvoorziening voor studenten, en verwees het de Commissie in de kosten. Het was de enige van de zes waarin de Staat won, en hij won op twee manieren.
De eerste manier is procedureel. De grief over indirecte discriminatie werd niet-ontvankelijk verklaard omdat uit het verzoekschrift niet bleek welke groep studenten benadeeld zou zijn en ten opzichte van welke andere groep, en omdat de Commissie geen ander onderscheidscriterium dan nationaliteit noemde. Het Hof volgde daarin Nederland, dat volgens het Hof op goede gronden betoogde dat de grondslag van die grief van meet af aan gebrekkig was. De grief over directe discriminatie versmalde het Hof vervolgens ambtshalve, omdat de Commissie ter zitting geen nationale bepaling kon noemen voor andere studenten dan die in een beroepsopleiding; Nederland had tegen die grief geen middel van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. In de zaken over de verwijdering en over de leges van langdurig ingezeten derdelanders had Nederland precies deze techniek geprobeerd, en beide keren faalde zij. Hier slaagde zij bij de grief over indirecte discriminatie, omdat er inhoudelijk werkelijk iets misging in het verzoekschrift.
De tweede manier is de vormgeving. De reisvoorziening valt onder de uitzondering van artikel 24, lid 2, van richtlijn 2004/38 voor steun voor levensonderhoud in de vorm van een studiebeurs of studielening. Volgens het Nederlandse verweer is een deel van de basisbeurs per 1 januari 1991 omgezet in een reisvoorziening, die de Staat op contract goedkoop bij de vervoerbedrijven inkoopt. Voor het Hof was beslissend dat de reisvoorziening aan het recht op studiefinanciering hangt en, naargelang de student al dan niet binnen tien jaar zijn diploma haalt, de kenmerken van een studiebeurs of een studielening heeft. In een Oostenrijkse zaak hing de vervoerskorting aan de kinderbijslag van de ouders, en in die zaak viel zij niet onder de uitzondering. Nederland won dus juist doordat de kaart onderdeel van de beurs is gemaakt.
Het Hof heeft nergens gezegd dat er geen discriminatie was. Het kwam aan die vraag niet toe: het onderzocht eerst of de afwijking van toepassing was, en hoefde daarna niet verder. En de regeling sloot niet alle buitenlandse studenten uit. Studenten uit andere lidstaten die economisch actief waren of een duurzaam verblijfsrecht hadden verworven, vielen er juist wel onder.
Zes van de 88
Vijf veroordelingen en een verwerping. De arresten C-50/06, C-508/10 en C-542/09 zijn volledige veroordelingen: geen grief afgewezen, geen exceptie gehonoreerd, volledige kostenveroordeling. Bij de twee andere hoort een kanttekening. In de grenszaak liet het Hof het verdragsrechtelijke deel van het petitum vallen, en in de Turkse legeszaak bleef de door de Commissie gevraagde vergelijking met IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland buiten beschouwing en veroordeelde het Hof Nederland voor onevenredige leges, waartoe de Commissie haar grief ter terechtzitting zelf had teruggebracht. In beide gevallen werd de kern toegewezen en Nederland in de kosten verwezen. De verworpen zaak staat in het scorebord in de kolom van de verwerpingen, en komt met de andere dertien terug in deel 7.
Noot van 26 september 2026: deel 7 verschijnt onder de titel ‘Verworpen is niet vrijgesproken’. De zaak over de reisvoorziening voor studenten komt daarin terug met de twaalf andere beroepen wegens niet-nakoming die de Commissie verloor, elf verworpen en een niet-ontvankelijk verklaard; voor de twee hogere voorzieningen over ING en de kolencentrale Hemweg 8 verwijst deel 7 naar deel 6. De tussenkop ‘De zaak die de Staat won’ en de woorden “wint” en “won” elders in dit deel dekken de lading niet. Een verworpen beroep betekent dat de Commissie haar verwijt niet waarmaakte, niet dat de Staat het Unierecht naleefde. Het Hof verklaarde de grief over indirecte discriminatie niet-ontvankelijk. De grief over directe discriminatie verklaarde het ongegrond, omdat de reisvoorziening volgens het Hof onder de uitzondering voor studiebeurzen en studieleningen viel. Het Hof heeft nergens gezegd dat er geen discriminatie was. Ook de aankondiging hieronder dat Nederland in het staatssteundrieluik “eenmaal verloor en tweemaal won”, dekt de lading niet: in de zaken over ING en de kolencentrale Hemweg 8 besliste geen rechter de kernvraag, zoals deel 6 laat zien.
Wat in vijf van de zes zaken terugkeert, is dat de procedure begon met een klacht bij de Commissie: van veroordeelde Unieburgers, van een Nederlander die met een Turkse samenwoonde, van derdelanders die over de inning van de leges klaagden; in 2007 kwam er een klacht over de 3-uit-6-regel en in 2008 een klacht over de reiskaart. En in vier van de zes stond Nederland er niet alleen voor. Het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Griekenland, België, Denemarken en Zweden kwamen aan Nederlandse zijde in de procedures tussen. Het gaat dus om een belang dat Nederland met andere lidstaten deelt. Dat maakt de veroordelingen alleen maar zwaarder.
En dan: wat deed Den Haag ermee?
Van de zes arresten zijn er vanaf 2000 drie terug te vinden in de rechtspraak van de Hoge Raad en zijn parket, samen in een uitspraak van de Hoge Raad en acht conclusies van het parket, op de stand van 4 september 2026. Het grensarrest en de arresten over de leges van derdelanders en over de studiefinanciering komen daarin, voor zover nagegaan, niet voor.
Die ene uitspraak van de Hoge Raad is een strafzaak uit 2010, en daarin staat het arrest over de automatische verwijdering uitsluitend binnen het geciteerde pleidooi van de raadsvrouw. De dragende overweging greep terug op een arrest uit 1977 en oordeelde dat het hofoordeel geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting, “in het bijzonder niet - naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is -” van de twee richtlijnbepalingen. Met die tussenzin was de gang naar Luxemburg van tafel. De advocaat-generaal had het inbreukarrest juist wel uitgeschreven, met zeven rechtsoverwegingen woordelijk, op de verwijzingen naar eerdere rechtspraak na, en concludeerde tot vernietiging juist wat betreft het ten laste gelegde feit dat op een ongewenstverklaring steunde: het verblijf als ongewenst verklaarde vreemdeling. Voor het overige strekte zijn conclusie tot verwerping. De Hoge Raad verwierp het beroep in zijn geheel.
In de conclusies daarna verdwijnt het arrest in de voetnoten. In 2015 staat het in een noot bij een geciteerde passage, naast een enkel ouder arrest. In 2023, in 2024 en in 2025 staat het er nog drie keer, telkens als laatste in een rij vindplaatsen achter oudere arresten, en in 2025 is het letterlijk overgenomen uit een eerdere conclusie. In een conclusie van 23 april 2010 in de zaak van de Staat tegen vreemdelingenorganisaties over de legesverhogingen, waarin ook de standstillbepalingen voor Turkse staatsburgers aan de orde waren, meldde de advocaat-generaal de inbreukzaak C-92/07 als aanhangig, met de aangekondigde uitspraakdatum; het arrest viel zes dagen later, dus citeren kon hij nog niet.
Het inbreukarrest over de verwijdering kreeg in Den Haag wel degelijk zijn volle beurt, maar uitsluitend in de conclusie die de Hoge Raad niet volgde. Het enige andere arrest uit dit cluster dat in een eigen redenering van het parket een dragende stap zet, is de zaak die de Staat won. In twee conclusies van 15 november 2018 over de motorrijtuigenbelasting haalt de advocaat-generaal, na een overweging uit het arrest L.N. (C-46/12), ook een rechtsoverweging uit het arrest over de reisvoorziening aan, om te onderbouwen dat het geval van de belanghebbende geen zuiver interne situatie is. Wat van dit cluster na 2010 nog in een eigen redenering van het parket doorwerkt, is dus geen veroordeling van de Staat, maar een algemene formule uit het arrest waarin de Staat gelijk kreeg; de veroordeling van 2007 leeft sindsdien alleen in voetnoten voort.
Wat volgt
Deel 6 gaat over de Staat als ondernemer en steunverlener: de gouden aandelen in KPN en TPG, het Gasunie-tarief en het staatssteundrieluik waarin Nederland eenmaal verloor en tweemaal won.
Verantwoording en bronnen
De tellingen en tijdsafstanden in dit deel zijn eigen rekenwerk op basis van de arresten en de gepubliceerde rechtspraak, stand 4 september 2026; de cijfers over doorwerking zijn een ondergrens. Als doorwerking geldt een aanhaling vanaf 2000 in een uitspraak van de Hoge Raad of een conclusie van zijn parket. Als volledige veroordeling telt een arrest waarin het Hof geen grief van de Commissie inhoudelijk verwierp. Citaten zijn woordelijk overgenomen, met de spelling van de bron. De aangehaalde overwegingen en dicta zijn nagelezen in de arresttekst. De negen Nederlandse uitspraken en conclusies zijn integraal nagelezen.
HvJ 30 mei 1991, zaak C-68/89 (Commissie/Nederland), Jur. 1991, p. I-2637, ECLI:EU:C:1991:226: arresttekst op EUR-Lex. Vragen bij binnenkomst; r.o. 1, 2, 4, 7 tot en met 9, 11 tot en met 18 en dictum.
HvJ 27 april 1989, zaak 321/87 (Commissie/België), Jur. 1989, p. 997, ECLI:EU:C:1989:176: arresttekst op EUR-Lex. Toelating op vertoon van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, beroep verworpen; r.o. 11 en 17 en dictum.
HvJ 7 juni 2007, zaak C-50/06 (Commissie/Nederland), Jur. 2007, p. I-4383, ECLI:EU:C:2007:325: arresttekst op EUR-Lex. Ongewenstverklaring van Unieburgers; r.o. 8, 11, 14, 17 tot en met 22, 24 tot en met 27, 35, 37 tot en met 39, 41 tot en met 50, 52 en dictum.
HvJ 29 april 2010, zaak C-92/07 (Commissie/Nederland), Jur. 2010, p. I-3683, ECLI:EU:C:2010:228: arresttekst op EUR-Lex. Leges van Turkse staatsburgers; r.o. 11, 13, 14, 17, 18, 27 tot en met 43, 49 tot en met 51, 59, 62 tot en met 78 en dictum.
HvJ 26 april 2012, zaak C-508/10 (Commissie/Nederland), ECLI:EU:C:2012:243: arresttekst op EUR-Lex. Leges van langdurig ingezeten derdelanders; r.o. 16, 18, 20, 26, 28 tot en met 30, 39 tot en met 44, 47, 55, 59 tot en met 79 en dictum.
HvJ 14 juni 2012, zaak C-542/09 (Commissie/Nederland), ECLI:EU:C:2012:346: arresttekst op EUR-Lex. De 3-uit-6-regel in de studiefinanciering; r.o. 5, 7, 8, 14, 18, 23 tot en met 30, 33 tot en met 44, 57, 58, 63, 65, 66, 68 tot en met 72, 78, 79, 81 tot en met 90 en dictum.
HvJ 2 juni 2016, zaak C-233/14 (Commissie/Nederland), ECLI:EU:C:2016:396: arresttekst op EUR-Lex. De reisvoorziening voor studenten, beroep verworpen; r.o. 9, 11, 15, 23 tot en met 46, 55 tot en met 65, 76, 79, 83 tot en met 97 en dictum.
Uitspraak van de Hoge Raad: HR 13 juli 2010, nr. 08/05143, ECLI:NL:HR:2010:BL2854.
Conclusies van het parket bij de Hoge Raad, alle op rechtspraak.nl, gedateerd op de datum die zij zelf dragen: 2 februari 2010 (bij het arrest van 13 juli 2010), ECLI:NL:PHR:2010:BL2854; 23 april 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM2314; 17 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:776; 15 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1289 en ECLI:NL:PHR:2018:1346; 14 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:168; 17 december 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1428; 18 maart 2025, ECLI:NL:PHR:2025:339.