Het Securitel-dossier (2/8): de genegeerde voortekens

Het kabinet noemde het Securitel-arrest in 1997 "onvoorzien". Maar er lagen al tien jaar waarschuwingen: een brief van de Commissie uit 1986, drie veroordelingen door het Hof, een genegeerd Rekenkameradvies en een informele deal met Brussel.

Archiefdossier-cover: Securitel-dossier deel 2 van 8, De genegeerde voortekens

Op 4 juni 1997 schreef minister Wijers van Economische Zaken aan de Tweede Kamer dat het Hof van Justitie een «onvoorziene en gecompliceerde uitspraak» had gedaan. Dat was, zacht gezegd, een keuze. Toen die brief de deur uitging lag er al een spoor van ruim tien jaar aan waarschuwingen, twee veroordelingen op één dag en een informele deal met Brussel. In dat spoor is de Securitel-affaire niet onvoorzien. Zij is aangekondigd.

In deel 1 van deze serie stond de omvang centraal: bijna vierhonderd Nederlandse regelingen die de Europese meldplicht niet hadden doorlopen. Deze aflevering gaat over de jaren daarvóór.

1984 de plicht, 1986 de eerste waarschuwing

Richtlijn 83/189/EEG verplicht lidstaten om ontwerpen van technische voorschriften vóór vaststelling bij de Europese Commissie te melden, zodat vooraf kan worden getoetst of ze het vrije goederenverkeer belemmeren. Wijers schreef het zelf: de ministeries en de publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties zijn daarvoor «sedert de inwerkingtreding van de richtlijn die dateert van 1984 ieder voor zich zelf verantwoordelijk».

In het nachtelijke Kamerdebat van 11 juni 1997 — het duurde tot 2.17 uur — kwam die voorgeschiedenis herhaaldelijk terug. Rabbae (GroenLinks) vatte haar zo samen: «In 1986 heeft de Commissie alle lidstaten gewaarschuwd over de gevolgen van het niet notificeren, zoals dat heet. In 1991-1992 heeft het kabinet brieven gestuurd aan de Commissie om beterschap te beloven. Die beterschap is daarna nooit gekomen.» Van Oven (PvdA) wees op dezelfde brief uit 1986, Van der Vlies (SGP) voegde eraan toe dat de minister van Economische Zaken in 1990 nog een rondschrijven had gestuurd waarin op naleving werd gewezen.

Dat zijn debatuitspraken, geen door de rechter vastgestelde feiten. Maar geen van beide bewindslieden sprak ze die avond tegen.

1989 bewust niet melden

Het vroegste harde spoor komt niet uit het debat maar uit het onderzoek van de Algemene Rekenkamer, twee jaar later. De Rekenkamer stelde vast dat «althans eenmaal en wel in 1989 ambtelijk advies werd opgevolgd om niet te voldoen aan de meldingsplicht inzake een ontwerp-wet jegens de Europese Commissie, omdat deze wet anders niet tijdig in werking kon treden». De Rekenkamer tekende daarbij aan dat de risico’s van niet-aanmelding in dat advies waren opgenomen.

Niet onwetendheid dus, maar tijdsdruk — met het risico op papier. De minister van Economische Zaken ontkende in december 1997 dat er sprake was geweest van «blote onwil».

1994 twee veroordelingen op één dag

Op 14 juli 1994 veroordeelde het Hof van Justitie Nederland twee keer wegens schending van de meldplicht. In zaak C-52/93 ging het om de wijziging van de PVS-verordening met kwaliteitseisen voor bloembollen — iris en lelie. In zaak C-61/93 om drie besluiten tegelijk: kilowattuurmeters, sterkte-eisen voor frisdrankflessen en de samenstelling, indeling, verpakking en etikettering van bestrijdingsmiddelen. Nederland stond daarin niet alleen: Italië was in 1993 veroordeeld om plezierboten (C-139/92), Duitsland in 1994 om geneesmiddelen en medische instrumenten (C-317/92).

Wijers relativeerde die arresten in 1997 juridisch correct: «In die uitspraken spreekt het Hof zich nog niet uit over de gevolgen van niet notificeren, noch over de geldigheid van de betrokken regelingen, noch over de inroepbaarheid door burgers en bedrijven.» Waar hij meteen aan toevoegde: «Het is in het algemeen niet zo dat burgers of overheden pas aan regelgeving gehouden zijn als blijkt dat er een ernstige straf op staat.»

De Fronia-deal

Wat volgde was geen inhaaloperatie maar een schikking. Na de veroordelingen van 1994 sprak Nederland met de Commissie over — in Wijers’ woorden — «circa twintig ontdekte gevallen van niet-notificatie». Dat leidde in 1995 tot een informele afspraak met de Commissiediensten over soepel herstel: de Fronia-deal. Niet-genotificeerde regelingen mochten alsnog in ontwerp naar Brussel; bleek er geen strijd met de interne markt, dan hoefde de regeling niet opnieuw te worden vastgesteld.

«Tot en met de zomer van 1996 bestond de indruk dat het probleem van die twintig regelingen was opgelost», zei Wijers. Twintig. Het zouden er bijna vierhonderd worden.

1996 nog een veroordeling, en de eigen ambtenaren

Op 11 januari 1996 — drieënhalf  maand vóór het Securitel-arrest — volgde de derde Nederlandse veroordeling, zaak C-273/94, over het niet melden van een afwijking van het Margarinebesluit. Ook een vrijstelling telde dus als technisch voorschrift. In de vakliteratuur werd daar meteen op gewezen dat dit «absurde gevolgen» heeft, omdat vrijstellingsregelingen de handel niet belemmeren maar juist verruimen.

En toen het Securitel-arrest er in april 1996 eenmaal lag, kwam de waarschuwing uit het eigen huis. In juli 1996 publiceerden ambtenaren over de implicaties in de vakpers en in de Staatscourant. Hillen (CDA) in het debat: «op het moment dat dit bericht bij de minister terechtkomt — dat is in mei gebeurd — gaan ook ambtenaren van zijn eigen departement daarover in de vakpers publiceren. Zij zeggen dat het zeer gevaarlijk is en nog gebeurt er niets.»

Het advies dat niet aandachtig was bestudeerd

Het sluitstuk viel diep in de nacht. Rabbae vroeg de minister of hij op de hoogte was van een advies van de Algemene Rekenkamer uit 1992, waarin al werd bepleit om bij Economische Zaken een meldpunt richting Brussel in te richten. Het antwoord van Wijers: «Dit advies van de Rekenkamer heb ik niet aandachtig bestudeerd.»

Vijf jaar eerder was de oplossing dus al opgeschreven. Geen van deze signalen was geheim: een brief van de Commissie, een rondschrijven van een ministerie, drie arresten in het Publicatieblad, kritische stukken in de vakpers en een rapport van de Rekenkamer. Wat ontbrak was niet informatie, maar gevolg.

Volgende week, deel 3: het arrest zelf — waarom 30 april 1996 alles veranderde, en waarom niet-genotificeerde voorschriften sindsdien buiten toepassing moeten blijven zonder dat ze ongeldig zijn.


Bronnen

  • Brief van de minister van Economische Zaken, 4 juni 1997, Kamerstukken II 1996/97, 25 389, nr. 1 — zoek.officielebekendmakingen.nl
  • Debat over de gevolgen van het Securitel-arrest, Handelingen II 1996/97, nr. 91, p. 6314-6363 (vergadering 11 juni 1997, sluiting 2.17 uur) — zoek.officielebekendmakingen.nl
  • Algemene Rekenkamer, Europese meldingsverplichtingen, Kamerstukken II 1998/99, 26 310, nrs. 1-2 — zoek.officielebekendmakingen.nl
  • HvJ EG 14 juli 1994, zaak C-52/93, Commissie/Nederland (bloembollen), Jur. 1994, I-3591
  • HvJ EG 14 juli 1994, zaak C-61/93, Commissie/Nederland (frisdrankflessen, bestrijdingsmiddelen, kilowattmeters), Jur. 1994, I-3607
  • HvJ EG 11 januari 1996, zaak C-273/94, Commissie/Nederland (Margarinebesluit), Jur. 1996, I-31
  • HvJ EG zaak C-139/92, Commissie/Italië (plezierboten), Jur. 1993, I-4707; zaak C-317/92, Commissie/Duitsland (geneesmiddelen en medische instrumenten), Jur. 1994, I-2039
  • HvJ EG 30 april 1996, zaak C-194/94, CIA Security International/Signalson en Securitel, Jur. 1996, I-2201
  • K.J.M. Mortelmans, rechtspraakoverzicht vrij verkeer van goederen, SEW nr. 6, juni 1998 (met verwijzing naar E. Steyger, RegelMaat 1997, p. 69)
  • Richtlijn 83/189/EEG, zoals gewijzigd (PbEG 1983, L 109/8; 1988, L 81/75; 1994, L 100/30)