Het Securitel-dossier (6/8): de afrekening

Anderhalf jaar na het nachtdebat maakt de Algemene Rekenkamer de balans op: van de getoetste Europese meldplichten was maar dertig procent aantoonbaar nageleefd, en ruim 5.500 hangende telecomstrafzaken had de minister van Justitie niet aan de Kamer gemeld.

Archiefdossier-omslag: Tweede Kamer dossier 25 389, Securitel-dossier deel 6 van 8, 'De afrekening'

Anderhalf jaar na het nachtdebat, als de paniek is geluwd en de herstellijst van vierhonderd regelingen grotendeels is afgewerkt, maakt de Algemene Rekenkamer de rekening op. Op 3 december 1998 ligt het rapport "Europese meldingsverplichtingen" bij de Tweede Kamer: een dun rapport dat laat zien dat de affaire niet was opgelost, maar versmald. En dat één pijnlijk dossier ruim 5.500 hangende strafzaken buiten beeld van de Kamer was gebleven.

Dertig procent

Terwijl de hersteloperatie in het najaar van 1997 haar slotfase inging, keek de Rekenkamer over de schouder van de departementen mee. Van oktober tot en met december 1997 onderzocht zij bij zes ministeries 48 keuringsobjecten uit 18 wetsfamilies. Daaraan hingen 315 Europese meldingsverplichtingen en dat was meteen de eerste les: de beruchte technische voorschriften waren daarvan, met 26 stuks, maar een fractie. Daarnaast telde de Rekenkamer 83 verplichte meldingen van omgezette richtlijnen, 120 onvoorwaardelijke informatieplichten en 86 voorwaardelijke.

De uitkomst was ontnuchterend. Van de 229 toetsbare verplichtingen (de 86 voorwaardelijke bleven buiten beschouwing) konden de ministeries er maar 71, dertig procent, aantoonbaar naleven en bijna twee derde dáárvan was te laat gemeld. In circa 70 procent van de gevallen kreeg de Rekenkamer "onvoldoende of geen inzicht": departementen zeiden wel gemeld te hebben maar konden niets overleggen, of beantwoordden de vragen eenvoudigweg niet. Bij de informatieplicht liep dat op tot bijna 90 procent.

En het paradepaardje, de technische voorschriften waarop Nederland een jaar lang koortsachtig had gerepareerd? Volledig inzicht, noteert het rapport droog: alle 26 aangemeld. Zes op tijd.

Eén keer was het een keuze

De hersteloperatie, concludeert de Rekenkamer, had "uitsluitend" de technische voorschriften gedekt; over de andere categorieën meldplichten bood zij geen enkele zekerheid. En tussen de vertrouwde oorzaken onbekendheid, "eigen" interpretatie, zwakke juridische directies stond één vondst die de affaire van kleur deed verschieten: minstens één keer, in 1989, was op ambtelijk advies bewust besloten een ontwerpwet niet in Brussel te melden, omdat die anders niet op tijd in werking kon treden. De risico's stonden keurig in het advies. Welke wet het was, vermeldt het rapport niet.

Minister Wijers had in december 1997 nog bezworen dat van "blote onwil" geen sprake was; hij vergeleek het verzuim met het millenniumprobleem lastig, kostbaar en daarom "in ongeloof weggedrukt" en noemde de politieke rel wellicht zelfs een "blessing in disguise". De Rekenkamer antwoordde met een tabel waarin de oorzaken van niet-naleving zijn afgezet tegen de getroffen maatregelen. Bij de oorzaak "tijdsdruk" staat geen enkel kruisje.

De verzwegen 5.500

Het venijnigste zit in het hoofdstuk over de juridische gevolgen. Op basis van het, niet genotificeerde, Besluit radio-elektrische inrichtingen en de bijbehorende toelatingsregeling was apparatuur in beslag genomen of zelfs vernietigd. Er hingen ruim 5.500 telecomstrafzaken; de Rijksdienst voor Radiocommunicatie meldde ze op 16 september 1997 per brief aan het Openbaar Ministerie, en kon medio 1998 de juridische gevolgen nóg niet overzien. De dienst achtte "niet uitgesloten" dat die deels "graverend" zouden kunnen zijn.

Bijna drie maanden na die brief, op 11 december 1997, zaten drie bewindslieden met de Kamercommissies om tafel, uitdrukkelijk óók over de rechtsgevolgen. Minister Sorgdrager meldde de arresten van de Hoge Raad, de Maastrichtse prejudiciële vragen, een afgewezen (ongespecificeerde) miljardenclaim en een vijftigtal geseponeerde kansspelzaken. Over de 5.500 telecomzaken: geen woord. Het verweer van haar opvolger Korthals, een klein jaar later: de Kamer had alleen gevraagd naar gevallen waarin van vervolging was afgezien, en dat was hier niet gebeurd. Bovendien wekte het rapport ten onrechte de indruk dat alle 5.500 zaken om de niet-gemelde voorschriften draaiden. Dat laatste erkende de Rekenkamer (een één-op-één-relatie was er niet, wel een verband), maar haar oordeel is in zijn kalmte vernietigend: die informatie was "van groot belang" voor de Kamer, "hoewel niet expliciet om deze informatie is gevraagd".

Wie deel 4 heeft gelezen, herkent het mechaniek van juni 1997: zonder vraag geen antwoord.

Sussen, weerspreken, doorgaan

De bestuurlijke reactie van de twee verantwoordelijke bewindslieden volgde het inmiddels bekende script. Wijers' opvolger Jorritsma meende dat na de affaire "nog een beperkt aantal gevallen" van niet-naleving resteerde. De Rekenkamer sprak dat frontaal tegen: zeventig procent zonder inzicht is geen beperkt aantal. Wie deze serie volgt, herkent de reflex in juni 1997 heette het verzuim in de allereerste brief aan de Kamer al "het enkele vormverzuim van niet-notificatie". Het rapport eindigt met een oproep die nog vaker zal terugkeren in deze serie: er moet een "sluitend systeem" komen voor alle Europese meldingsverplichtingen.

Eén detail tot slot, voor de liefhebber. In voetnoot 5 citeert de Rekenkamer wat zij de "letterlijke uitspraak" van het Hof van Justitie in de zaak-Lemmens noemt en maakt daarbij van de technische regeling inzake ademanalyseapparaten een regeling inzake "ademhalingsapparaten". Zelfs het rapport dat de slordigheid van de staat boekstaaft, citeert het arrest nét verkeerd. Over dat arrest en over de vraag of verdachten zich achter Securitel konden verschuilen gaat deel 7.

Bronnen

  • Algemene Rekenkamer, Europese meldingsverplichtingen, Kamerstukken II 1998/99, 26 310, nrs. 1–2 (vastgesteld 4 november 1998, aangeboden 3 december 1998): rapport en aanbiedingsbrief. Alle cijfers en citaten zijn gecontroleerd tegen de officiële PDF.
  • Verslag van een algemeen overleg op 11 december 1997 (vastgesteld 27 januari 1998), Kamerstukken II 1997/98, 25 389, nr. 31: kst-25389-31 ("blote onwil", de millennium-vergelijking, "blessing in disguise", en wat er die dag wél werd gemeld).
  • HvJ EG 16 juni 1998, zaak C-226/97 (Lemmens), Jur. 1998, p. I-3711: arresttekst op EUR-Lex (dictum geverifieerd voor de vergelijking met voetnoot 5 van het rapport).
  • Brief van de minister van Economische Zaken, 4 juni 1997, Kamerstukken II 1996/97, 25 389, nr. 1: kst-25389-1 ("het enkele vormverzuim van niet-notificatie").