Staat en Hoge Raad mogen niet zelf bepalen wat Europees is: dertig jaar na het margarinearrest doet de Hoge Raad het in bpm-zaken toch
In 1996 oordeelde het Hof van Justitie dat een Europese meldplicht niet kan afhangen van de eenzijdige beoordeling door Nederland. Sinds 2025 stelde de Hoge Raad in ten minste tien bpm-zaken Luxemburg geen vraag, negen keer na Remling; een winnaar in cassatie kreeg 421 euro voor zijn rechtsbijstand.
In ten minste tien arresten over de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm), gewezen tussen januari 2025 en oktober 2026, besliste de Hoge Raad vragen van Unierecht zelf en stelde hij het Hof van Justitie in Luxemburg geen enkele vraag. Hij schreef dat zijn plicht om dat te doen alleen bestaat als “naar het oordeel van” de hoogste rechter zelf geen uitzondering geldt. Unierechtelijke klachten deed hij af met een verwijzing naar eigen arresten in andere zaken of met de vaste zin dat hij niet hoeft te motiveren. Negen van de tien die hier worden besproken, zijn van na 24 maart 2026, toen het Hof van Justitie in het arrest Remling eiste dat een hoogste rechter die niet verwijst, ook in een verkorte motivering “specifiek en concreet” uitlegt waarom. Het treft wie een gebruikte auto uit een andere lidstaat in Nederland registreert, particulier of bedrijf; volgens een van die kopers schrikt het risico af om in een andere lidstaat te kopen en in te voeren, en in onze lezing treft het daarmee ook de verkopers in die lidstaten. Het treft de belastingplichtige die zijn cassatiezaak won en voor de rechtsbijstand 421 euro vergoed kreeg, en de Unie zelf, want het Hof krijgt de vragen niet.
Een lidstaat bepaalt niet zelf wat het Unierecht betekent.
Dat zegt het Hof van Justitie sinds 1964, in een arrest op een vraag van een Nederlandse rechter. Nederland kreeg het te horen in 1996 over een margarineregeling die het niet in Brussel had gemeld, in 2007 over een vreemdelingenwet waarmee Nederland strafrechtelijk veroordeelde Unieburgers buiten de waarborgen van een richtlijn om kon uitzetten, en in 2015 over een praktijk waarin elke verdenking van een misdrijf als gevaar voor de openbare orde gold. In onze lezing doet de Hoge Raad in de bpm-zaken van 2026 hetzelfde. Omdat een uitleg van het Hof van Justitie terugwerkt tot de inwerkingtreding van de regel, duurt die schending van de verwijzingsplicht naar ons oordeel al jaren.
Wat Europees is, bepaalt niet de lidstaat
Op 19 maart 1964 beantwoordde het Hof van Justitie een vraag van de Centrale Raad van Beroep in Utrecht over het begrip “een werknemer of een daarmede gelijkgestelde” in verordening nr. 3 over de sociale zekerheid van migrerende werknemers. Het Hof oordeelde dat het begrip werknemer uit het Verdrag tot het gemeenschapsrecht behoort, omdat anders “iedere Lid-Staat in de gelegenheid zou zijn de inhoud ervan te wijzigen en zodoende bepaalde categorieen van personen naar welgevallen van de bescherming van het Verdrag uit te sluiten”. De verdragsartikelen zouden hun zin verliezen “indien de inhoud van dit begrip eenzijdig door het nationale recht zou kunnen worden vastgesteld en gewijzigd” (Unger, 75/63).
Vier maanden later oordeelde het Hof in Costa tegen ENEL dat de staten tegen de rechtsorde die zij op basis van wederkerigheid hebben aanvaard, “niet kunnen ingaan met een later, eenzijdig afgekondigd wettelijk voorschrift”. In hetzelfde arrest staat dat de voorganger van het huidige artikel 267, “ongeacht enige nationale wet, steeds toepassing dient te vinden” als een vraag over de uitleg van het Verdrag rijst, en dat rechters tegen wier beslissingen geen hogere voorziening openstaat, zich dan tot het Hof “moeten wenden” (6/64). Voor de openbare orde als uitzondering op het vrije verkeer gebruikt het Hof sinds 1974 een vaste formule: de inhoud van het begrip openbare orde kan “niet zonder controle van de instellingen der Gemeenschap eenzijdig door de onderscheiden Lid-Staten” worden bepaald (Rutili, 36/75, 1975, punt 27; eerder al Van Duyn, 41/74, 1974, punt 18).
De margarine, de Unieburger en de verdachte
Op 19 september 1990 stelde Nederland de Vrijstellingsregeling Margarinebesluit vast zonder het ontwerp in Brussel te melden, hoewel richtlijn 83/189 dat voorschreef. Bij brief van 2 juni 1992 gaf de regering volgens het arrest als haar standpunt te kennen dat de richtlijn “niet van toepassing was op nationale technische voorschriften wanneer deze, zoals in casu, geen nieuwe handelsbelemmering opwierpen” (punt 6).
De Commissie antwoordde op 15 januari 1993 dat dit argument “bevestigd of weerlegd had kunnen worden” als Nederland de regeling in het ontwerpstadium had gemeld (punt 7). Op 11 januari 1996 stelde het Hof vast dat Nederland zijn verplichtingen niet was nagekomen. De meldplicht “kan niet afhankelijk zijn van de eenzijdige beoordeling, door de Lid-Staat die het ontwerp heeft opgesteld, van de eventuele gevolgen van dit ontwerp voor het handelsverkeer tussen Lid-Staten” (Commissie tegen Nederland, C-273/94, punt 15).
De zaak en de twee veroordelingen van 1994 die eraan voorafgingen, staan uitgebreid in deel 4 van ‘Commissie tegen Nederland’. Ruim drie maanden na het margarinearrest verloor de Nederlandse regering in de zaak CIA Security, samen met die van Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, ook het betoog dat de richtlijn alleen de verhouding tussen de lidstaten en de Commissie regelt en geen uitdrukkelijke bepaling bevat over de gevolgen van een verzuim (punt 46): een niet gemeld voorschrift kan niet aan particulieren worden tegengeworpen (CIA Security, C-194/94, punt 54).
Elf jaar later ging het om mensen. Volgens het arrest schreef de Nederlandse regering de Commissie in 2003, en hield zij in 2004 grotendeels vol, dat Unieburgers zonder verblijfsrecht op grond van het gemeenschapsrecht niet onder richtlijn 64/221 vielen, die waarborgen geeft bij uitzetting om redenen van openbare orde: “In dat geval moet de nationale Vreemdelingenwet worden toegepast.” Wie in Nederland een beroep op de openbare kas had gedaan, verloor volgens de regering automatisch zijn verblijfsrecht (punten 18 en 21). Het Hof oordeelde op 7 juni 2007 dat die uitleg “niet in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht” (punt 37), herinnerde eraan dat de draagwijdte van de openbare orde “door de lidstaten niet eenzijdig kan worden bepaald” (punt 42), en stelde vast dat de Nederlandse wet het mogelijk maakte strafrechtelijk veroordeelde Unieburgers “buiten de materiële en procedurele waarborgen van richtlijn 64/221 om” uit te zetten (punt 45). Nederland had zijn verplichtingen niet nagekomen en werd in de kosten veroordeeld (Commissie tegen Nederland, C-50/06, dictum).
In 2015 oordeelde het Hof, op vragen van de Raad van State, over een regel van de staatssecretaris. Volgens de Vreemdelingencirculaire gold sinds 9 februari 2012 als gevaar voor de openbare orde “iedere verdenking en veroordeling ter zake van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit” (punt 17), en aan een vreemdeling die zo’n gevaar vormde, kon de staatssecretaris een termijn voor vrijwillig vertrek onthouden. Uit inlichtingen die de regering ter zitting gaf, bleek volgens het Hof dat de staatssecretaris ten tijde van de feiten al zo handelde (punt 40). Het Hof herhaalde dat de inhoud van de openbare orde “niet eenzijdig door de onderscheiden lidstaten kan worden bepaald zonder controle door de instellingen van de Unie” (punt 48), en oordeelde dat de Terugkeerrichtlijn zich “verzet tegen een nationale praktijk” waarin een vreemdeling louter op grond van een verdenking of veroordeling als gevaar geldt (Zh. en O., C-554/13, punt 54 en dictum).
Wat het Hof van Justitie van een hoogste rechter eist
Het laatste woord over de uitleg van het Unierecht heeft het Hof van Justitie (artikel 19, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie). De Hoge Raad schreef op 12 juni 2026 zelf dat het Hof “bij uitsluiting bevoegd is om het Unierecht bindend uit te leggen” (ECLI:NL:HR:2026:915, rechtsoverweging 3.7.2; hierna: r.o.). Daarom moet een rechter tegen wiens uitspraken geen hoger beroep openstaat, een vraag van Unierecht voorleggen (artikel 267, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, VWEU), “tenzij zij heeft vastgesteld” dat een van drie uitzonderingen geldt: de vraag doet niet ter zake, het Hof heeft haar al beantwoord, of het antwoord is zo evident dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan (Cilfit, punt 21).
Een hoogste rechter kan volgens het Hof “slechts” van die plicht “worden ontheven indien zij zich in een situatie bevindt waarin sprake is van een van de drie Cilfit-uitzonderingen”, en moet dat “op eigen verantwoordelijkheid, op onafhankelijke wijze en met de nodige zorgvuldigheid” beoordelen (Remling, C-767/23, punt 22; Consorzio Italian Management, C-561/19, punt 50). Uit de motivering moet blijken welke uitzondering geldt (Consorzio, punt 51).
Op 24 maart 2026 oordeelde het Hof van Justitie in de Grote kamer, op een vraag van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over haar eigen bevoegdheid om in vreemdelingenzaken verkort te motiveren (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000; Remling, punt 3), dat een hoogste rechter Unierechtelijke klachten niet mag afwijzen “zonder eerst te beoordelen” of hij moet verwijzen (Remling, punt 24). Volgens het dictum verzet artikel 267, derde alinea, VWEU zich, gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, “tegen een nationale regeling” waarmee een hoogste rechter een vraag van Unierecht met een verkorte motivering afdoet, tenzij hij “specifiek en concreet uiteenzet waarom” een uitzondering in die zaak geldt.
Dat geldt ook als de partij niet om een verwijzing vroeg (punt 29). De regeling “op grond waarvan de Hoge Raad een cassatieberoep met een verkorte motivering kan afwijzen”, noemde het Hof daarbij uitdrukkelijk “vergelijkbaar” met de regeling in die zaak (punt 27). De motivering moet “beantwoorden aan de feitelijke en juridische omstandigheden van het betreffende geding” (punt 34). Een hoogste rechter die zich op evidentie beroept, moet in de regel uitgebreider motiveren en uiteenzetten “waarom zij ervan overtuigd is dat de gehanteerde oplossing even evident zou zijn” voor de hoogste rechters van de andere lidstaten en voor het Hof (punt 37).
Al in 2024 oordeelde het Hof dat een hoogste rechter die zaken selecteert op het belang van een rechtsvraag voor de uniforme toepassing of de ontwikkeling van het recht, een verzoek niet mag afwijzen “zonder te hebben beoordeeld of zij niet verplicht was om aan het Hof een prejudiciële vraag voor te leggen” (KUBERA, C-144/23, 15 oktober 2024, dictum, onder 1).
De Hoge Raad in 2026: naar zijn eigen oordeel
Op 12 juni en 17 juli 2026 schreef de Hoge Raad hoe hij die plicht leest: zij bestaat “alleen indien naar het oordeel van laatstbedoelde instanties op die verwijzingsplicht geen van de drie uitzonderingen van toepassing is” (ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.3, en ECLI:NL:HR:2026:1246, r.o. 2.4.3).
Laatstbedoelde instanties zijn de hoogste rechters, de Hoge Raad dus zelf. Bij die zin staat telkens een voetnoot naar punt 32 van het arrest Remling. De rest van dat punt nam hij niet over. Volgens dat punt moet de hoogste rechter ook in een verkorte motivering “specifiek en concreet uiteenzetten” waarom een uitzondering geldt. In onze lezing keert de formule de opbouw van Cilfit om: daar is verwijzen de regel, tenzij een uitzondering is vastgesteld; bij de Hoge Raad ontstaat de plicht pas als hij zelf vindt dat er geen uitzondering is.
Het arrest van 17 juli 2026 over een gebruikte auto uit een andere lidstaat laat zien wat dat oplevert (ECLI:NL:HR:2026:1244, een tussenarrest, waarin de Hoge Raad nog niet alles besliste). De koper had bpm betaald en kreeg daarna een naheffing, een aanslag achteraf omdat hij volgens de Belastingdienst te weinig had betaald. Hij voerde aan dat de koper van een auto uit een andere lidstaat vijf jaar lang het risico van naheffing draagt en de koper van een in Nederland geregistreerde auto niet, en dat dit de invoer ontmoedigt in strijd met artikel 110 VWEU, dat hogere binnenlandse belastingen op producten uit andere lidstaten verbiedt. Volgens hem moest de Hoge Raad het Hof vragen stellen, met een beroep op onder meer de artikelen 4, lid 3, en 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 47 van het Handvest.
De Hoge Raad noemde de stelling over het verschil met binnenlandse auto’s “juist”, maar oordeelde dat het verschil “inherent aan het algemene stelsel van een registratiebelasting zoals de bpm” is, omdat bij een in Nederland geregistreerde auto een ander de bpm betaalde en het risico droeg (r.o. 4.4.2). In die overweging noemt de Hoge Raad geen arrest van het Hof van Justitie. Hij verwijst alleen terug naar de rechtspraak die hij in r.o. 4.3 had samengevat, volgens welke bij artikel 110 ook moet worden gelet op “verschillen in betalingswijze, aanslagprocedures en sanctionering”, en leidt uit het stelsel van de bpm af dat het naheffingsrisico geen “verboden verschil in heffings- of betalingsmodaliteit” is. Artikel 110 biedt volgens de Hoge Raad bescherming “tegen discriminerende geldelijke lasten die voortvloeien uit een algemeen systeem van binnenlandse belastingen”, en “de onzekerheid over of vrees voor naheffing is niet zo’n geldelijke last” (r.o. 4.4.3). Daarbij verwees hij met “Vgl.” naar punt 24 van het arrest Lubrizol. Dat punt trekt de grens tussen een heffing die goederen treft omdat ze de grens overschrijden, en een binnenlandse belasting; of de Franse bijdrage in die zaak met artikel 110 strookte, onderzocht het Hof niet (punt 50).
In onze lezing zegt het punt dus niets over de vraag of artikel 110 ook beschermt tegen nadelen van de aanslagprocedure. Zo besliste de Hoge Raad zelf wat artikel 110 dekt. De eerste cassatieklacht riep volgens hem geen vragen op die niet aan de hand van vaste rechtspraak van het Hof konden worden beantwoord, “dan wel” het antwoord was, “voor zover rechtspraak daarover ontbreekt”, zo evident dat er redelijkerwijs geen twijfel over kon bestaan (r.o. 4.4.4). Voor welke vraag welke uitzondering gold, zei hij niet. In een voetnoot staat Remling, punten 23 en 37; de uitleg die punt 37 vraagt, staat er niet. Twee maanden later noemde de Hoge Raad zijn oordeel uit r.o. 4.4.2 “buiten redelijke twijfel” (ECLI:NL:HR:2026:1491, r.o. 2.3.3).
De tweede zaak van 17 juli ging over de proceskosten. Sinds 2024 wordt in bpm-zaken de vergoeding voor beroepsmatige rechtsbijstand bij de rechter, behalve bij bijzondere omstandigheden, vermenigvuldigd met 0,25 als het bestreden besluit wordt vernietigd of gewijzigd, en met 0,10 in alle andere gevallen (artikel 19a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, ingevoegd bij de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507).
Op 17 januari 2025 oordeelde de Hoge Raad dat die beperking niet in strijd is met artikel 47 van het Handvest en met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel, waarvolgens nationale regels het inroepen van Unierecht niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.7.1). Over vragen aan het Hof van Justitie staat in dat arrest geen woord, terwijl het Hof van Justitie drie maanden eerder, op 15 oktober 2024, in de Grote kamer had herhaald dat uit de motivering van een hoogste rechter die niet verwijst, moet blijken welke uitzondering geldt (KUBERA, punt 62). Een belastingplichtige verweet de Hoge Raad in 2026 precies dat: het “decimeren” van de vergoeding was in strijd met artikel 47, en de Hoge Raad had in 2025 geen vragen gesteld en niet gemotiveerd welke uitzondering gold (ECLI:NL:HR:2026:1246, r.o. 2.3.2). De Hoge Raad zag “geen aanleiding” voor vragen (r.o. 2.4.3). Naar zijn oordeel is de rechtspraak van het Hof van Justitie “zo evident dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan” dat lidstaten vergoedingen voor rechtsbijstand mogen beperken, mits die beperkingen niet wezenlijk afbreuk doen aan het recht op effectieve rechtsbescherming (r.o. 2.4.4).
De voetnoot bij dat oordeel verwijst alleen naar zijn eigen arrest van dezelfde dag (ECLI:NL:HR:2026:1244, r.o. 4.10.1 tot en met 4.10.6). Die overwegingen gaan over de gewone forfaitaire vergoeding uit het Besluit proceskosten bestuursrecht, niet over de korting tot een kwart of een tiende daarvan, en noemen voor de evidentie met “Zie bijvoorbeeld” twee arresten van het Hof van Justitie (r.o. 4.10.6). Het cassatieberoep van de belastingplichtige was gegrond. Omdat hij volgens de Hoge Raad niet had bewezen dat zijn geval bijzonder was (r.o. 2.5), en het arrest de naheffingsaanslag in zijn zaak niet vernietigde of wijzigde, vermenigvuldigde de Hoge Raad de vergoeding voor de rechtsbijstand in cassatie met 0,10, wat neerkwam op 421 euro (r.o. 2.6 en beslissing).
Hetzelfde verwijt van andere belastingplichtigen verwierp de Hoge Raad met een enkele verwijzing naar dat arrest, dezelfde dag en op 2 oktober 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1299, r.o. 2.3.2, en ECLI:NL:HR:2026:1581, r.o. 2.4). Bij een ander onderwerp gaat die werkwijze terug tot 2019. Op 12 juni 2026 schreef de Hoge Raad dat klachten over het griffierecht na een gemotiveerd arrest van 11 oktober 2019 “telkens verworpen met toepassing van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie” zijn, omdat hij bij het ontbreken van nieuwe ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof van Justitie geen aanleiding zag voor een prejudiciële vraag en het niet nodig vond zijn oordelen te herhalen (ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.1.2).
Op grond van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO81) kan de Hoge Raad een klacht verwerpen als die volgens hem geen vragen oproept die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht. Hij doet dat met de vaste zin: “De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen.” Bij een vraag van Unierecht moet die nationale regel wijken voor de eis van Remling, want elke nationale rechter moet het Unierecht integraal toepassen, “daarbij buiten toepassing latend elke eventueel strijdige bepaling van de nationale wet” (Simmenthal, 106/77, punt 21). Toch gebruikte de Hoge Raad de zin op 2 oktober 2026 opnieuw bij Unierechtelijke klachten in een bpm-zaak over drie auto’s uit een andere lidstaat, telkens gevolgd door een verwijzing naar eigen arresten in andere zaken, ook bij de klacht over artikel 110 en de naheffing (ECLI:NL:HR:2026:1582, r.o. 2.2.3, 2.3.2 en 2.5.2). De overige klachten verwierp hij met de opmerking dat het Unierecht daarvoor “niet relevant” is, “dan wel” dat al “in voorgaande rechtsoverwegingen van dit arrest” was uiteengezet waarom hij geen vragen stelt, zonder te zeggen welke klacht welk antwoord kreeg (r.o. 2.7). Die voorgaande overwegingen bestonden uit de RO81-zin en verwijzingen naar andere arresten.
Hoe weinig zo’n standaardmotivering op de eigen zaak is toegesneden, blijkt uit het arrest van 18 september 2026 over op aangifte betaalde bpm, dat wij eerder bespraken in ‘Veertien jaar over één Europese boete’ (ECLI:NL:HR:2026:1494). Over het Unierechtelijke recht om te worden gehoord staat daarin: “Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat de Inspecteur belanghebbende schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen om de naheffingsaanslagen op te leggen” (r.o. 2.6.4; met ‘het Hof’ bedoelt de Hoge Raad hier het gerechtshof). In de uitspraak van het gerechtshof in die zaak komt geen naheffingsaanslag voor; het ging om bpm die op aangifte was voldaan (ECLI:NL:GHDHA:2025:1555). Ook de overwegingen 2.5 en 2.7 schrijven het gerechtshof een oordeel over naheffing toe dat in zijn uitspraak niet staat. Afgezien van de duur van de vertraging, het bedrag, een extra cassatieklacht en een enkel woord staat de hele beoordeling woordelijk zo in een arrest van dezelfde dag in een andere zaak, waarin het wel om naheffingsaanslagen ging (ECLI:NL:HR:2026:1415). In de uitspraak van het gerechtshof in die andere zaak staat de vaststelling over het voornemen tot naheffing wel: het hof neemt haar over van de rechtbank (ECLI:NL:GHDHA:2025:1554, r.o. 5.4). In onze lezing is de beoordeling uit die andere zaak overgenomen.
Het sluitstuk is een arrest van dezelfde dag. Volgens de Hoge Raad mag een gerechtshof de grieven van een belastingplichtige over de uitleg van het Unierecht verwerpen met de rechtspraak van de Hoge Raad, “zelfs wanneer de Hoge Raad die rechtspraak heeft gewezen zonder prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te hebben gesteld”, en dat staat “buiten redelijke twijfel” (ECLI:NL:HR:2026:1491, r.o. 2.1.3). Een lagere rechter is zelf niet verplicht te verwijzen. Zolang de Hoge Raad zelf niet verwijst, komt zo’n vraag alleen nog in Luxemburg als een lagere rechter uit eigen beweging verwijst. Juist dat moet de verwijzingsplicht van de hoogste rechter voorkomen: “dat in een lidstaat nationale rechtspraak wordt ontwikkeld die niet strookt met het Unierecht” (Remling, punt 21).
De Hoge Raad nam Remling vanaf juni 2026 op in voetnoten (ECLI:NL:HR:2026:915; ECLI:NL:HR:2026:1244; ECLI:NL:HR:2026:1246) en verwierp Unierechtelijke klachten daarna, op 18 september en op 2 oktober, met de RO81-zin en verwijzingen naar eigen arresten in andere zaken (ECLI:NL:HR:2026:1491, r.o. 2.2.3 en 2.4.2; ECLI:NL:HR:2026:1494, r.o. 2.1.2 en 2.7; ECLI:NL:HR:2026:1582, r.o. 2.2.3, 2.3.2 en 2.5.2).
Wat dat betekent
Ons oordeel, dat nog geen rechter heeft getoetst, is dat de Hoge Raad in deze bpm-zaken doet wat het Hof van Justitie de Nederlandse regering in 1996 verbood: een verplichting die controle door de Unie mogelijk moet maken, laten afhangen van de eenzijdige beoordeling door de lidstaat zelf.
In 1996 was dat de melding, die de Gemeenschap “via een preventieve controle” het vrije verkeer moest laten bewaken (CIA Security, punt 48); nu is het de vraag aan het Hof. Het Unierecht kent de ruimte die de Hoge Raad zichzelf geeft, alleen onder voorwaarden die hij niet noemt en die hij in onze lezing niet vervult. Bij artikel 110 bepaalde hij zelf wat het artikel dekt; bij de proceskosten steunde hij op zijn eigen arrest van 2025, waarin over vragen aan het Hof van Justitie geen woord staat, en voor de evidentie op een eigen arrest over een andere regel; bij de Unierechtelijke klachten volstond hij met RO81 en verwijzingen naar andere zaken, terwijl Remling een uitleg eist die op de eigen zaak is toegesneden. Daarmee schond hij in onze lezing de verwijzings- en motiveringsplicht van artikel 267, derde alinea, VWEU en artikel 47 van het Handvest, en de plicht tot loyale samenwerking en effectieve rechtsbescherming uit artikel 4, lid 3, en artikel 19, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Artikel 4, lid 3, verplicht de lidstaten “alle algemene en bijzondere maatregelen” te treffen “die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren”, en volgens artikel 19, lid 1, voorzien zij “in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren”. Die plichten rusten op de staat in zijn geheel, dus ook op zijn hoogste rechter (Köbler, punt 32).
De hoogste bestuursrechter van Frankrijk was zonder vraag aan Luxemburg afgeweken van een arrest van het Hof, omdat de Britse regeling waarover dat arrest ging, volgens hem verschilde van de Franse. Het Hof oordeelde dat die rechter “niet met zekerheid kon weten dat zijn redenering even evident zou zijn voor het Hof”, en stelde op een beroep van de Commissie vast dat Frankrijk zijn verplichtingen krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU niet was nagekomen (Commissie tegen Frankrijk, C-416/17, punten 111 tot en met 114 en dictum, onder 2). Zo’n niet-nakoming kan in beginsel worden vastgesteld “ongeacht welk orgaan van die staat door zijn handelen of nalaten het verzuim heeft veroorzaakt, zelfs al betreft het een constitutioneel onafhankelijke instelling” (punt 107).
Naar volkenrecht is een internationaal onrechtmatige daad gedrag dat aan de staat wordt toegerekend en dat een internationale verplichting van die staat schendt; het gedrag van een rechter geldt als een daad van de staat, en dat het eigen recht het gedrag toestaat, verandert die kwalificatie niet (artikelen 2, 3 en 4 van de artikelen over staatsaansprakelijkheid van de VN-Commissie voor Internationaal Recht).
Het Hof van Justitie gaat van hetzelfde beginsel uit: de staat wordt “in zijn geheel beschouwd”, ook als de schending aan de rechterlijke macht is toe te rekenen, en in de Unie “geldt dit des te meer” (Köbler, C-224/01, punt 32). Naar ons oordeel beging de Staat der Nederlanden met de hiervoor beschreven schendingen, door zijn hoogste rechter, een internationaal onrechtmatige daad.
Niet pas sinds 2026
HvJ Remling legde de Hoge Raad geen nieuwe plicht op. Een uitleg van het Hof van Justitie verklaart en preciseert de betekenis en strekking van een voorschrift van Unierecht “zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden verstaan en toegepast” (Denkavit italiana, 61/79, 1980, punt 16). Alleen het Hof zelf kan die werking in de tijd beperken, en alleen in het arrest dat de uitleg geeft (punt 18); in Remling deed het dat niet.
De verwijzingsplicht stond al in het oorspronkelijke Verdrag, en de uitzonderingen formuleerde het Hof in 1982. Het Handvest geldt in deze zaken omdat de Hoge Raad er het Unierecht toepast: wanneer het Unierecht toepasselijk is, “impliceert dit dat de door het Handvest gewaarborgde grondrechten toepassing vinden” (Åkerberg Fransson, C-617/10, punt 21; artikel 51, lid 1, van het Handvest). De Hoge Raad schreef zelf dat hij na zijn arrest van 11 oktober 2019 klachten over het griffierecht “telkens” met RO81 verwierp (ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.1.2). In onze lezing schond de Staat der Nederlanden de verwijzings- en motiveringsplicht dus al voor maart 2026, telkens wanneer zijn hoogste rechter een Unierechtelijke klacht afdeed zonder de motivering die het Unierecht toen al eiste.
De bpm-zaken staan ook niet los van wat de Staat eerder deed. Over alle onderwerpen samen hebben de Commissie en Nederland sinds 1977 in 88 arresten tegenover elkaar gestaan, en in ruim vier van de vijf niet-nakomingszaken stelde het Hof geheel of gedeeltelijk een schending vast (‘Commissie tegen Nederland (1/8): het scorebord’). Dichter bij deze zaken staat het margarinearrest, dat hoort bij een reeks over dezelfde meldplicht: bijna vierhonderd Nederlandse regelingen bleken niet te zijn gemeld, en de Algemene Rekenkamer stelde vast dat “althans eenmaal en wel in 1989 ambtelijk advies werd opgevolgd om niet te voldoen aan de meldingsplicht inzake een ontwerp-wet jegens de Europese Commissie, omdat deze wet anders niet tijdig in werking kon treden” (‘Het Securitel-dossier (2/8): de genegeerde voortekens’).
De lijn van het Hof is sindsdien alleen scherper geworden. Volgens het Hof concretiseert artikel 19 VEU het rechtsstaatbeginsel van artikel 2 VEU, en is het “inherent aan het bestaan van een rechtsstaat dat er effectieve rechterlijke toetsing bestaat om de naleving van de bepalingen van Unierecht te verzekeren” (Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C-64/16, 2018, punten 32 en 36).
In december 2025 stelde het Hof vast dat Polen zijn verplichtingen uit artikel 19, lid 1, VEU en uit onder meer de beginselen van voorrang en van “de bindende werking van de arresten van het Hof” niet was nagekomen, “gelet op de uitlegging die de Trybunał Konstytucyjny” aan de Poolse grondwet had gegeven: ook daar rekende het Hof de uitleg van het grondwettelijk hof de lidstaat aan (Commissie tegen Polen, C-448/23, dictum, onder 1). Volgens dat arrest mogen nationale rechters zich niet “eenzijdig en definitief” uitspreken over de omvang van de bevoegdheden van de Unie (punt 212), hebben zij niet de bevoegdheid “om het Unierecht bindend uit te leggen” (punt 215), en moet de verwijzingsplicht voorkomen “dat zich in een lidstaat nationale rechtspraak ontwikkelt die niet strookt met de regels van het Unierecht” (punt 205).
In april 2026 oordeelde het Hof in voltallige zitting dat de waarden van artikel 2 VEU “op zichzelf juridisch bindend zijn” (Commissie tegen Hongarije, C-769/22, punt 536), en dat alleen “kennelijke en bijzonder ernstige schendingen” ervan tot een niet-nakoming van artikel 2 leiden (punt 551). Nederland steunde in beide zaken de Commissie, en wat het van Polen en Hongarije eiste, geldt ook voor de Staat zelf: de verplichtingen uit artikel 2 kunnen “geenszins” per lidstaat verschillen (C-769/22, punt 559).
De grondrechten van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) “maken als algemene beginselen deel uit van het recht van de Unie” (artikel 6, lid 3, VEU), en Straatsburg oordeelde in 2014 dat een hoogste rechter die een verzoek om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie zonder redenen afwijst, artikel 6 EVRM schendt (Dhahbi tegen Italië, 17120/09, §§ 32 tot en met 34).
Naar ons oordeel gaat het daarom om meer dan losse fouten in losse zaken.
Het volkenrecht kent de schending die bestaat uit “a series of actions or omissions defined in aggregate as wrongful”; zo’n schending “extends over the entire period starting with the first of the actions or omissions of the series” (artikel 15 van de artikelen over staatsaansprakelijkheid van de VN-Commissie voor Internationaal Recht).
Voor de aansprakelijkheid van de staat voor zijn hoogste rechter weegt het Hof van Justitie mee of die rechter zijn verwijzingsplicht schond (Köbler, punt 55), en een schending is “in ieder geval” voldoende gekwalificeerd wanneer de rechtspraak van het Hof “kennelijk is miskend” (punt 56). Ook het Unierecht rekent de uitleg door de rechters de lidstaat aan. Net als bij Frankrijk telt elk orgaan van de staat mee, ook een constitutioneel onafhankelijke instelling; de strekking van een nationale regel wordt bepaald naar de uitleg die de nationale rechters eraan geven, en daarbij telt “een belangrijke strekking in de rechtspraak” mee die de hoogste rechter niet afwijst en zelfs bevestigt (Commissie tegen Italië, C-129/00, 2003, punten 29 tot en met 32).
Italië schoot in die zaak tekort omdat het een wet niet wijzigde die de administratie en “een belangrijk deel van de rechterlijke instanties, waaronder de Corte suprema di cassazione” zo uitlegden en toepasten dat de terugbetaling van belastingen die in strijd met het gemeenschapsrecht waren geheven, uiterst moeilijk werd (dictum, onder 1). Of de praktijk van de Hoge Raad de drempel van artikel 2 VEU haalt, heeft nog geen rechter onderzocht.
Ons oordeel is dat de Staat der Nederlanden, door zijn hoogste rechter, over een reeks van jaren mogelijk zeer ernstige internationaal onrechtmatige daden beging, en dat die schendingen voortduren zolang de praktijk niet verandert.
Wat het de benadeelden kost
De koper van een auto uit een andere lidstaat houdt het risico van een naheffing dat de koper van een in Nederland geregistreerde auto volgens de Hoge Raad zelf niet heeft, en de vraag of dat met artikel 110 te verenigen is, legde de Hoge Raad in de zaak van de koper niet aan het Hof van Justitie voor.
Volgens de koper kan dat risico kopers doen besluiten niet of niet vaker een auto in een andere lidstaat te kopen en in te voeren; in onze lezing treft dat ook de verkoop vanuit die lidstaten. De belastingplichtige die zijn cassatieberoep won, kreeg voor de rechtsbijstand in de hele cassatieprocedure 421 euro vergoed, een tiende van wat de vergoeding zonder de korting zou zijn geweest.
In twee andere zaken kwam de vergoeding op hetzelfde bedrag (ECLI:NL:HR:2026:1299, r.o. 2.7; ECLI:NL:HR:2026:1581, r.o. 2.6). Volgens de belastingplichtige werkt zijn gemachtigde uitsluitend op basis van no cure no pay, zodat zijn cliënten zonder voorschot kunnen procederen (ECLI:NL:HR:2026:1246, r.o. 2.3.1); de korting treft dus eerst die rechtsbijstand, en daarmee wie zonder voorschot zijn Unierechtelijke rechten wil inroepen.
Wie de Hoge Raad in de latere zaken om een vraag aan Luxemburg vroeg, kreeg een verwijzing naar een arrest in een andere zaak, en in de zaak over op aangifte betaalde bpm een overweging over naheffingsaanslagen die in de uitspraak van het gerechtshof niet voorkomen.
Het sterkste tegenargument
Men kan aanvoeren dat een hoogste rechter “op eigen verantwoordelijkheid” beoordeelt of hij een vraag kan laten liggen (Consorzio, punt 50), dat het Hof van Justitie zelf spreekt van wat die rechter “van oordeel is” (punt 51), dat de Hoge Raad Cilfit en Remling zelf noemt, en dat hij bij de proceskosten alleen een vaststaande regel van het Hof zou toepassen.
Ook Remling zegt dat het initiatief tot een verwijzing “volledig afhankelijk is van de beoordeling door de nationale rechter” (punt 29), en staat bij een vraag die al eerder werd beantwoord, “een eenvoudige verwijzing naar de relevante rechtspraak van het Hof” toe (punt 36); de Hoge Raad schreef zelf dat “uitsluitend de nationale rechter” de noodzaak van vragen beoordeelt (ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2). In dezelfde punten staat echter wat de Hoge Raad wegliet: de beoordeling moet “op onafhankelijke wijze en met de nodige zorgvuldigheid” gebeuren, en uit de motivering moet blijken welke uitzondering geldt (Consorzio, punten 50 en 51). De motivering van een hoogste rechter die niet verwijst, moet volgens het Hof specifiek, concreet en toegesneden op de eigen zaak zijn (Remling, punten 32 en 34). Hetzelfde punt 29 zegt dat die motiveringsplicht geldt zodra een partij zich op het Unierecht beroept, en punt 36 gaat over rechtspraak van het Hof van Justitie, niet over eigen arresten van de nationale rechter in andere zaken; is de vraag niet volledig gelijk, dan kan “een uitgebreidere motivering noodzakelijk blijken”.
Wie een antwoord evident noemt, moet uiteenzetten waarom hij ervan overtuigd is dat het ook voor de hoogste rechters van de andere lidstaten en voor het Hof evident zou zijn; uitgebreid aantonen dat zij dezelfde uitleg zouden geven, hoeft hij volgens het Hof niet, maar die uiteenzetting zelf moet er zijn (punt 37).
In onze lezing staat die uiteenzetting, waarom het antwoord ook voor de andere hoogste rechters en het Hof evident zou zijn, in geen van de genoemde arresten.
De overweging waarin de Hoge Raad het naheffingsrisico beoordeelde (r.o. 4.4.2), verwijst alleen terug naar de rechtspraak uit r.o. 4.3 en noemt geen arrest van het Hof dat het onderscheid draagt. Het enige arrest in de overweging daarna gaat over een andere vraag (Lubrizol, punt 24). In de zaak over op aangifte betaalde bpm paste de motivering, die woordelijk ook in een andere zaak staat, niet bij de eigen zaak. Een regel van het Hof over een korting tot een tiende noemde de Hoge Raad bij de proceskosten niet: zijn voetnoot verwijst alleen naar eigen overwegingen over het gewone forfait. Men kan ook aanvoeren dat de Hoge Raad in andere belastingzaken wel vragen aan Luxemburg stelt.
De verwijzingsplicht geldt echter per zaak.
Voor de veroordeling van Frankrijk volstond dat de hoogste bestuursrechter in twee arresten van dezelfde dag één vraag waarover redelijkerwijs twijfel mogelijk was, niet aan het Hof voorlegde (Commissie tegen Frankrijk, punten 112 tot en met 114 en dictum, onder 2). En voor de zaak over op aangifte betaalde bpm valt aan te voeren dat de Hoge Raad de cassatieklachten volgde, die niet openbaar zijn. Dat verklaart niet waarom hij het gerechtshof een vaststelling toeschrijft die niet in diens uitspraak staat.
Tegen de kern, de verkorte motivering, kan men aanvoeren dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die motivering in 2018 aanvaardde (Baydar tegen Nederland). Het Hof van Justitie oordeelde dat die maatstaf voor het Unierecht niet volstaat, want Straatsburg verwacht een antwoord alleen als een partij om een verwijzing vroeg, terwijl het Unierecht de hoogste rechter verplicht uit te leggen welke uitzondering geldt zodra een partij zich op het Unierecht beroept (Remling, punten 27 tot en met 29).
Over de proceskosten kan men aanvoeren dat Straatsburg op 6 oktober 2026 geen schending van artikel 6 EVRM zag in de forfaitaire vergoeding in het Nederlandse bestuursrecht (Veldsink-Schoonbeek en Veldsink tegen Nederland, 26337/22, nog niet definitief). Die zaak ging over het gewone forfait in een procedure over een bevel om bouwwerken te verwijderen, en niet over de korting tot een kwart of een tiende daarvan in bpm-zaken. Belastinggeschillen vallen volgens Straatsburg bovendien buiten het civiele deel van artikel 6 EVRM (Ferrazzini tegen Italië, 44759/98, 2001, § 29), terwijl het recht op toegang tot de rechter in het Unierecht volgens de officiële toelichting bij artikel 47 van het Handvest “niet alleen van toepassing op geschillen inzake civielrechtelijke rechten en verplichtingen” is.
Straatsburg bewaakt alleen een ondergrens: de bescherming van het Handvest mag volgens de toelichting bij artikel 52, lid 3, “nooit lager zijn” dan die van het EVRM. Volgens de Hoge Raad wilde de wetgever met de korting een einde maken aan overcompensatie bij gemachtigden die volgens no cure no pay werken, de vergoeding van hun cliënten afgedragen krijgen en zo procederen dat die vergoedingen de redelijke kosten ver overtreffen, en wilde de wetgever zo ook overbelasting van de rechtspraak voorkomen (ECLI:NL:HR:2026:1246, r.o. 2.4.5 en 2.4.6). Dat is het doel van de Staat zelf; of het een vergoeding van een tiende met artikel 47 verenigbaar maakt, heeft de Hoge Raad het Hof van Justitie niet gevraagd.
Tegen het oordeel over de internationaal onrechtmatige daad kan men aanvoeren dat het Unierecht een eigen rechtsorde is, en dat de artikelen van de VN-Commissie wijken voor zover het Unierecht de voorwaarden zelf regelt (artikel 55). Ook dat eigen stelsel rekent het gedrag van de hoogste rechter aan de staat toe: de staat wordt “in zijn geheel beschouwd”, en in de Unie “geldt dit des te meer” (Köbler, punt 32).
In onze lezing is het gedrag van de Hoge Raad daarom ook volgens het eigen stelsel van de Unie gedrag van de Staat der Nederlanden.
Tegen de stap naar een reeks van jaren kan men aanvoeren dat de verwijzingsplicht per zaak geldt, zodat een reeks zaken nog geen schending is van een verplichting die als geheel is omschreven (artikel 15). Ook kan men aanvoeren dat de terugwerking van een uitleg (Denkavit italiana, punt 16) niet betekent dat de rechtspraak van het Hof bij elke eerdere beslissing “kennelijk is miskend” (Köbler, punt 56): dat uit de motivering moet blijken welke uitzondering geldt, schreef het Hof uitdrukkelijk pas in 2021 (Consorzio, punt 51), Straatsburg aanvaardde de verkorte motivering in 2018, en de klachten over het griffierecht verwierp de Hoge Raad in 2019 met een gemotiveerd arrest, waarna hij het bij het ontbreken van nieuwe ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof van Justitie niet nodig achtte zijn oordelen te herhalen (ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.1.2).
Daar staat tegenover dat de verwijzingsplicht en haar uitzonderingen sinds Cilfit in 1982 vaststaan, dat de motiveringseis van 2021 al gold toen de Hoge Raad de bpm-zaken van 2025 en 2026 besliste, en dat Remling “een eenvoudige verwijzing naar de relevante rechtspraak van het Hof” toestaat (punt 36), in onze lezing geen verwijzing naar een eigen arrest in een andere zaak. Naar ons oordeel bestaat de reeks juist daaruit: dezelfde Unierechtelijke klacht, telkens afgedaan zonder de motivering die het Unierecht eist. Dat de verwijzingsplicht per zaak geldt, doet daar niet aan af: zoals hiervoor bleek, telt bij een niet-nakoming ook een belangrijke strekking in de rechtspraak mee die de hoogste rechter bevestigt (Commissie tegen Italië, punten 30 tot en met 32), en ook zonder die reeks blijft in onze lezing elke zo afgedane klacht een eigen schending.
Het arrest Remling is van 24 maart 2026. Van de tien arresten van de Hoge Raad die hier zijn besproken, zijn er negen van later datum. In geen van de tien kreeg het Hof van Justitie een vraag.
Verantwoording en bronnen
Dit stuk berust uitsluitend op openbare stukken: arresten van het Hof van Justitie, de Verdragen en de toelichting bij het Handvest, de artikelen over staatsaansprakelijkheid van de VN-Commissie voor Internationaal Recht, arresten van de Hoge Raad, een uitspraak van het gerechtshof Den Haag, een wet uit het Staatsblad, arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en eerdere posts op deze site. Alle citaten zijn letterlijk, met de spelling van de bron; oudere arresten van het Hof van Justitie zijn in de bron in hoofdletters gezet en hier in gewone letters geciteerd.
De aangehaalde overwegingen en beslissingen zijn nagelezen in de uitspraakteksten; de voetnoten van de Hoge Raad zijn nagelezen in de open data van de Rechtspraak. Dat de Hoge Raad in de tien besproken bpm-zaken geen vragen aan het Hof van Justitie stelde, blijkt uit de arresten zelf; voor zover wij konden nagaan (peildatum 12 oktober 2026), stelde hij ook in andere bpm-arresten uit die periode geen vragen. Een eindarrest na ECLI:NL:HR:2026:1244 vonden wij op 12 oktober 2026 niet op rechtspraak.nl. Duidingen zijn als lezing of oordeel van de redactie aangegeven.
- HvJ 19 maart 1964, Unger, 75/63, Jur. 1964, p. 371, ECLI:EU:C:1964:19; HvJ 15 juli 1964, Costa/ENEL, 6/64, Jur. 1964, p. 1203, ECLI:EU:C:1964:66; HvJ 4 december 1974, Van Duyn, 41/74, Jur. 1974, p. 1337, ECLI:EU:C:1974:133, r.o. 18; HvJ 28 oktober 1975, Rutili, 36/75, Jur. 1975, p. 1219, ECLI:EU:C:1975:137, r.o. 27; HvJ 9 maart 1978, Simmenthal, 106/77, Jur. 1978, p. 629, ECLI:EU:C:1978:49, r.o. 21; HvJ 27 maart 1980, Denkavit italiana, 61/79, Jur. 1980, p. 1205, ECLI:EU:C:1980:100, r.o. 16 en 18; HvJ 6 oktober 1982, Cilfit, 283/81, Jur. 1982, p. 3415, ECLI:EU:C:1982:335, r.o. 21.
- HvJ 11 januari 1996, Commissie/Nederland, C-273/94, Jur. 1996, p. I-31, ECLI:EU:C:1996:4, r.o. 6, 7, 15 en dictum; HvJ 30 april 1996, CIA Security International, C-194/94, Jur. 1996, p. I-2201, ECLI:EU:C:1996:172, r.o. 46, 48 en 54.
- HvJ 7 juni 2007, Commissie/Nederland, C-50/06, Jur. 2007, p. I-4383, ECLI:EU:C:2007:325, r.o. 18, 21, 37, 42, 45 en dictum; HvJ 11 juni 2015, Zh. en O., C-554/13, ECLI:EU:C:2015:377, r.o. 17, 40, 48, 54 en dictum.
- HvJ 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, C-561/19, ECLI:EU:C:2021:799, r.o. 50 en 51; HvJ (Grote kamer) 15 oktober 2024, KUBERA, C-144/23, ECLI:EU:C:2024:881, r.o. 62 en dictum onder 1; HvJ (Grote kamer) 24 maart 2026, Remling, C-767/23, ECLI:EU:C:2026:243, r.o. 3, 21, 22, 24, 27 tot en met 29, 32, 34, 36 en 37 en dictum; HvJ 4 oktober 2018, Commissie/Frankrijk, C-416/17, ECLI:EU:C:2018:811, r.o. 107 en 111 tot en met 114 en dictum onder 2; HvJ 30 september 2003, Köbler, C-224/01, Jur. 2003, p. I-10239, ECLI:EU:C:2003:513, r.o. 32, 55 en 56; HvJ 9 december 2003, Commissie/Italië, C-129/00, Jur. 2003, p. I-14637, ECLI:EU:C:2003:656, r.o. 29 tot en met 32 en dictum onder 1; HvJ 14 juni 2018, Lubrizol France, C-39/17, ECLI:EU:C:2018:438, r.o. 24 en 50.
- HvJ (Grote kamer) 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, C-617/10, ECLI:EU:C:2013:105, r.o. 21; HvJ (Grote kamer) 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C-64/16, ECLI:EU:C:2018:117, r.o. 32 en 36; HvJ (Grote kamer) 18 december 2025, Commissie/Polen, C-448/23, ECLI:EU:C:2025:975, r.o. 205, 212, 215 en dictum onder 1; HvJ (voltallige zitting) 21 april 2026, Commissie/Hongarije, C-769/22, ECLI:EU:C:2026:326, r.o. 536, 551 en 559 en dictum onder 6.
- Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 2, artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 3, en artikel 19, lid 1; Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 110 en artikel 267, derde alinea; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 47, artikel 51, lid 1, en artikel 52, lid 3, met de toelichting (PB 2007, C 303). Commissie voor Internationaal Recht van de Verenigde Naties, artikelen over de aansprakelijkheid van staten voor internationaal onrechtmatige daden (2001), bijlage bij resolutie 56/83 van de Algemene Vergadering, legal.un.org, artikelen 2, 3, 4, 15 en 55.
- Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.7.1; Hoge Raad 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.1.2, 3.7.2 en 3.7.3; Hoge Raad 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244, r.o. 4.1, 4.3, 4.4.2 tot en met 4.4.4, 4.10.1 tot en met 4.10.6 en beslissing; Hoge Raad 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1246, r.o. 2.3.1, 2.3.2, 2.4.3 tot en met 2.4.6, 2.5, 2.6 en beslissing; Hoge Raad 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1299, r.o. 2.3.1, 2.3.2 en 2.7; Hoge Raad 18 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1415, r.o. 2.1 tot en met 2.11; Hoge Raad 18 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1491, r.o. 2.1.3, 2.2.3, 2.3.3 en 2.4.2; Hoge Raad 18 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1494, r.o. 2.1 tot en met 2.11; Hoge Raad 2 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1581, r.o. 2.3.2, 2.4 en 2.6; Hoge Raad 2 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1582, r.o. 2.1, 2.2.3, 2.3.2, 2.5.1, 2.5.2 en 2.7; Gerechtshof Den Haag 24 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1555, en de uitspraak van hetzelfde hof in de zaak van ECLI:NL:HR:2026:1415, ECLI:NL:GHDHA:2025:1554.
- Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507, artikel II (artikel 19a Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992) en artikel IV.
- EHRM 8 april 2014, Dhahbi/Italië, 17120/09, HUDOC 001-142504, §§ 31 tot en met 34; EHRM 24 april 2018, Baydar/Nederland, 55385/14, ECLI:CE:ECHR:2018:0424JUD005538514 (aangehaald in Remling, punt 27); EHRM 6 oktober 2026, Veldsink-Schoonbeek en Veldsink/Nederland, 26337/22, HUDOC 001-252628 (nog niet definitief); EHRM (Grote Kamer) 12 juli 2001, Ferrazzini/Italië, 44759/98, HUDOC 001-59589, § 29.
- Misstandendienst.nl, ‘Commissie tegen Nederland (1/8): het scorebord’; ‘Commissie tegen Nederland (4/8): de meldingsplicht’; ‘Het Securitel-dossier (1/8)’ en ‘Het Securitel-dossier (2/8): de genegeerde voortekens’; ‘Veertien jaar over één Europese boete’, 12 oktober 2026.
- Foto: een zittingszaal van de Hoge Raad der Nederlanden in Den Haag, Bas Kijzers / Rijksvastgoedbedrijf, 3 februari 2016, Wikimedia Commons, CC0; uitsnede en tekst door Misstandendienst.