Commissie tegen Nederland (6/8): de Staat als ondernemer en steunverlener

De gouden aandelen in KPN en TPG, het Gasunie-tarief en drie staatssteunzaken in hogere voorziening, waarvan Nederland er een verloor; in twee besliste geen rechter de kernvraag. De Hoge Raad citeert het verloren aandelenarrest het vaakst van de 88, in 2015 als uitgangspunt ten gunste van de Staat.

Oranje-rode dossieromslag: Commissie tegen Nederland 6/8, ‘De Staat als ondernemer en steunverlener’; 2 inbreukarresten: gouden aandelen, Gasunie; 3 hogere voorzieningen: NOx, ING, Hemweg.

Op 6 april 2003 hield de Nederlandse Staat nog ongeveer 20 procent van de gewone aandelen in KPN en 35 procent in TPG. Voor een fusie, een splitsing, een statutenwijziging, een aandelenuitgifte of een dividenduitkering bleef toch zijn voorafgaande goedkeuring nodig. Dat regelde een bijzonder aandeel in elke vennootschap, de “golden share” uit de privatisering van PTT. Op 28 september 2006 stelde het Hof van Justitie vast dat Nederland daarmee het vrije kapitaalverkeer schond. Voor het aandeel in KPN had de regering niet eens een rechtvaardiging aangevoerd.

Dit deel gaat over de Staat als ondernemer en steunverlener, in vijf van de 88 arresten uit het scorebord van deel 1. Twee zijn inbreukarresten: een volledige veroordeling over de gouden aandelen en een gedeeltelijke over het Gasunie-tarief voor de tuinbouw. De andere drie zijn de enige hogere voorzieningen in de reeks, alle in staatssteunzaken en alle ingesteld door de Commissie na een Nederlandse overwinning bij het Gerecht. Nederland verloor de eerste, over emissierechten, en won de twee andere, over ING en over de kolencentrale Hemweg 8. Deel 5 ging over mensen aan de grens, deel 4 over de meldingsplicht.

Het gouden aandeel

Bij de verkoop van tranches van 30 procent in 1994 en 20 procent in 1995 kregen de statuten van PTT een bijzonder aandeel voor de Staat, en bij de splitsing in 1998 kreeg de Staat er een in KPN en een in TPG. In een overeenkomst met KPN en TPG, de Afspraken op Hoofdlijnen, had hij zich verbonden de rechten “niet te gebruiken om de betrokken vennootschappen te beschermen tegen een ongewenste wijziging van zeggenschap”. Die toezegging staat in het arrest bij de feiten; in de beoordeling komt het Hof er niet op terug.

Nederland voerde aan dat de aandelen geen staatsmaatregelen waren en “de facto ook geen investeringen ontmoedigd” hadden. Het Hof oordeelde dat zij door beslissingen van de Staat bij de privatisering in de statuten stonden en dus staatsmaatregelen waren. Het stelde de Commissie uitdrukkelijk in het gelijk: de aandelen gaven de Staat “een invloed op het bestuur van KPN en van TPG die niet wordt gerechtvaardigd door de hoogte van zijn investering en die aanzienlijk groter is dan hij op grond van zijn gewone deelneming in deze ondernemingen normaal gesproken zou hebben”. Het toetste aan wat de aandelen konden teweegbrengen; op het argument dat feitelijk geen investeerder was afgeschrikt, ging het niet uitdrukkelijk in. Het argument dat een verband met investeringsbeslissingen “zo onzeker en indirect” zou zijn dat dit geen belemmering vormde, verwierp het wel uitdrukkelijk, omdat de aandelen “een reëel risico” inhielden dat de Staat besluiten zou blokkeren die de organen van de vennootschappen in hun economisch belang voorstonden.

Voor KPN was de zaak daarmee beslist. “Aangaande het bijzonder aandeel KPN beroept de Nederlandse regering zich niet op een doelstelling van algemeen belang die als rechtvaardiging kan dienen.” Het middel werd “derhalve” aanvaard, zonder toets aan de evenredigheid. Voor TPG voerde de regering de universele postdienst aan. Het Hof erkende dat die een dwingende reden van algemeen belang kan zijn, maar het aandeel ging verder dan nodig. De rechten waren niet beperkt tot de postdienst, en bovendien, zo oordeelde het Hof, “berust de uitoefening van deze speciale rechten niet op een vastomlijnd criterium en behoeft deze niet te worden gemotiveerd, waardoor daadwerkelijke rechterlijke toetsing onmogelijk is”.

Het dictum veroordeelt Nederland niet wegens de gouden aandelen als zodanig, maar omdat de rechten niet beperkt waren tot gevallen waarin ingrijpen nodig is om door het Hof erkende dwingende redenen van algemeen belang. De middelen over de vrijheid van vestiging onderzocht het Hof niet meer, omdat de schending van het vrije kapitaalverkeer al vaststond. Nederland droeg alle kosten. Het Hof had aan zijn toets een algemene overweging laten voorafgaan. Zolang harmonisatie ontbreekt, “staat het in beginsel aan de lidstaten om te bepalen in welke mate zij dergelijke legitieme belangen willen beschermen en hoe dit moet worden bereikt”, mits zij de evenredigheid in acht nemen.

Gas voor de kassen

Op 13 februari 1985 besliste de Commissie dat het preferentiële aardgastarief voor de tuinbouw in stookkassen onverenigbare steun was en moest worden afgeschaft. Nederland moest voor 15 maart 1985 meedelen welke maatregelen het had genomen, en volgens het Hof liep op die datum ook de termijn af om het tarief af te schaffen. Het tarief werd toegepast tot de eerste week van juni 1985, zo’n tweeënhalve maand langer. De regering wilde eerst de beslissing van de president van het Hof op een verzoek om opschorting van de beschikking afwachten, en wees op de juridische en technische problemen van een nieuw tarief. Het Hof antwoordde dat “een bij het Hof ingesteld beroep geen schorsende werking heeft”, en dat de regering “geenszins” had aangetoond dat tijdige uitvoering onmogelijk was. Na de afwijzing van de opschorting op 3 mei 1985 had zij het tarief gewijzigd binnen een ongeveer even lange termijn als de beschikking had gegeven.

Het dictum stelt vast dat Nederland zijn verplichtingen niet is nagekomen door het tarief “tot de eerste week van juni 1985 door Gasunie te laten toepassen”. Gasunie komt alleen in de slotsom over de eerste grief en in het dictum voor; welke rol het bedrijf had, bespreekt het arrest niet. Het beroep was bovendien geen gewone inbreukprocedure, maar een beroep op grond van artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag, “in afwijking van de artikelen 169 en 170”.

De tweede grief ging over het nieuwe tarief van 4 juni 1985, met een tuinbouwgasprijs van maximaal 45 cent per kubieke meter, tegen 42,5 in het oude. Volgens de Commissie, gesteund door het Verenigd Koninkrijk en Denemarken, zat er nog steun in. Het Hof stelde de vraag of de regering haar verplichting was nagekomen “door dat tarief vast te stellen of te doen vaststellen”, en wees op de onnauwkeurigheid van de Commissie zelf, wier beschikking alleen een marge “tussen 46,5 en 47,5 cent/m3” noemde. Het nieuwe maximum lag anderhalve cent onder de onderkant van die marge. “Bij gebreke van nauwkeurige en gedetailleerde aanwijzingen van de Commissie” mocht de regering menen dat zij met 45 cent de beschikking correct uitvoerde. Dat het nieuwe tarief geen steun bevatte, zei het Hof niet. Nederland was alleen “in dit opzicht” niet tekortgeschoten, en een nieuwe procedure bleef mogelijk. Elke partij droeg de eigen kosten.

Rechten om niet

In de drie hogere voorzieningen stapte eerst Nederland naar de Europese rechter tegen een beslissing van de Commissie in een staatssteunprocedure, en won het bij het Gerecht; daarna ging de Commissie in hogere voorziening.

De eerste gaat over stikstofoxiden. Om het nationale plafond van 260 kiloton uit richtlijn 2001/81 te halen, bedacht Nederland verhandelbare emissierechten voor ongeveer 250 grote industriële ondernemingen. Bij brief van 23 januari 2003 meldde Nederland het systeem aan, met het verzoek te beslissen dat het geen steun was. Op 24 juni 2003 besliste de Commissie dat het steun was, maar verenigbaar. Het Gerecht vond het systeem op 10 april 2008 niet selectief en verklaarde de beschikking nietig, al verloor Nederland daar het onderdeel over het voordeel uit staatsmiddelen.

Op 8 september 2011 kreeg Nederland bij het Hof alleen gelijk op de ontvankelijkheid. Ook een goedkeuring als steun heeft rechtsgevolgen, want de maatregel komt onder doorlopend toezicht. “De betrokken lidstaat heeft daardoor minder manoeuvreerruimte bij de uitvoering van de aangemelde maatregel.” Op de inhoud verloor Nederland. Het Gerecht had van de Commissie bewijs geëist dat andere ondernemingen vergelijkbare verplichtingen hadden, en dat was volgens het Hof een onjuiste opvatting over de bewijslast. Bij het Hof bevestigden partijen, ook Nederland, ter terechtzitting dat elke onderneming die stikstofoxiden uitstoot, aan verplichtingen tot beperking moet voldoen. Alleen de deelnemers aan het systeem konden hun reducties te gelde maken. Dat het systeem een milieudoel diende, deed daaraan niet af. De rechten waren om niet verstrekt, terwijl de lidstaat ze had kunnen verkopen of veilen, en daarmee deed Nederland afstand van overheidsinkomsten. “De staat heeft, wanneer hij gebruikmaakt van dergelijke instrumenten, in beginsel immers de keuze tussen de toekenning om niet dan wel de vervreemding of veiling van die rechten.”

Het Hof vernietigde het arrest van het Gerecht, wees de incidentele hogere voorzieningen van Nederland en Duitsland af en verwierp het beroep van Nederland. Voor de eerste aanleg droeg Nederland zijn eigen kosten en die van de Commissie; in hogere voorziening droeg elk de eigen kosten, omdat beide partijen op een punt in het ongelijk waren gesteld. Duitsland, Frankrijk, Slovenië en het Verenigd Koninkrijk hadden aan Nederlandse zijde gestaan. Het systeem bleef goedgekeurd, zonder terugvordering en zonder verbod. Wat Nederland verloor, is wat het in 2003 zelf had gevraagd: het oordeel dat het systeem geen steun was.

De aandeelhouder in de bank

In de ING-zaak was de Staat weer investeerder. Op 11 november 2008 nam hij 1 miljard effecten ING zonder stemrecht tegen 10 euro per stuk, die ING kon terugkopen met een premie van 50 procent. De Commissie keurde die inbreng als verenigbare steun voorlopig goed. Na een wijziging van de voorwaarden in oktober 2009 mocht ING tot de helft terugkopen tegen de uitgifteprijs, vermeerderd met rente en een strafpremie, en dat deed ING op 21 december 2009. Volgens de beschikking van 18 november 2009 zou die wijziging ING, afhankelijk van de koers van het aandeel, een extra voordeel opleveren “van 1,79 tot 2,2 miljard EUR”, in de woorden van de Commissie “zo’n 2 miljard EUR additionele steun”, die zij verenigbaar verklaarde.

Het Gerecht verklaarde op 2 maart 2012 de bepalingen nietig waarin de Commissie de herstructureringssteun aan ING als staatssteun aanmerkte en verenigbaar verklaarde, en ook de bijlage met de verbintenissen; de extra steun uit de wijziging was niet los te maken van het oordeel over de verenigbaarheid en de verbintenissen. De Commissie had eerst moeten onderzoeken of een particuliere investeerder in de positie van de Staat hetzelfde voordeel zou hebben toegekend. De Staat had geen afstand gedaan van een gewaarborgd rendement, maar van “de loutere mogelijkheid” van een rendement van meer dan 50 procent per jaar, en hij had bij de terugbetaling 258,5 miljoen euro ontvangen die hij onder de oude voorwaarden niet zou hebben gekregen. Ook over de werkwijze was het Gerecht kritisch. Op 6 november 2009 om 4.12 uur ’s ochtends stuurde de Commissie een ontwerp van 92 punten, met het verzoek de gegevens voor 10.00 uur te verifiëren. Enkele uren konden volgens het Gerecht niet volstaan.

Het Hof wees de hogere voorziening op 3 april 2014 af. Het stelde voorop dat de concrete toepassing van de toets van de particuliere investeerder bij de mondelinge behandeling voor het Gerecht niet aan de orde was; het ging daar om de vraag of die toets van toepassing was. Het Hof oordeelde dat die toepasselijkheid “niet afhangt van de vorm waarin het voordeel is toegekend, maar van de kwalificatie van deze interventie als beslissing van een aandeelhouder van de betrokken onderneming”. Drie van de zes middelen wees het inhoudelijk af, de andere drie verklaarde het niet-ontvankelijk; over het bedrag van de steun oordeelde het niet zelf. De Commissie werd in beide instanties in de kosten verwezen.

Dat Nederland won, betekent niet dat de Staat zich als een particuliere investeerder gedroeg. Op 11 mei 2012, de dag waarop de Commissie de hogere voorziening instelde, nam zij een nieuw besluit waarin zij de toets alsnog toepaste. Volgens het Hof oordeelde zij daarin “dat een particuliere investeerder in een markteconomie niet met die voorwaarden zou hebben ingestemd”; zij besloot dus dat de wijziging steun was, verenigbaar gezien de Nederlandse verbintenissen. Nederland en ING stelden beroep in, maar trokken het in, en het besluit is definitief. Het Gerecht en het Hof hebben geen van beide beslist of een particuliere investeerder met de gewijzigde voorwaarden zou hebben ingestemd. Die vraag beantwoordde alleen de Commissie, in haar nieuwe besluit, en dat antwoord viel tegen de Staat uit. De Staat heeft het laten staan.

52,5 miljoen zonder oordeel

In de Hemweg-zaak was de Staat wetgever. De Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie trad op 20 december 2019 in werking. Vier van de vijf kolencentrales kregen een overgangsperiode van vijf tot tien jaar. Hemweg 8 kreeg die niet, omdat de centrale “geen biomassa verbrandde, geen hernieuwbare energie produceerde en het laagste rendement van de vijf centrales had”. Op de dag waarop de wet in werking trad, kende de minister van Economische Zaken en Klimaat exploitant Vattenfall een nadeelcompensatie van 52,5 miljoen euro toe.

Het wetsontwerp was op 27 maart 2019 wel gemeld, maar onder de richtlijn voor technische voorschriften, het soort melding waarover deel 4 ging. Volgens de voorgeschiedenis in de arresten van Gerecht en Hof is het “niet overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU bij de Commissie aangemeld”; dat artikel regelt de melding van steunmaatregelen. Nederland hield tegenover de Commissie vol dat de vergoeding strikt beperkt was tot de schade en geen staatssteun was. Op 12 mei 2020 verklaarde de Commissie de maatregel verenigbaar zonder die vraag te beantwoorden, “omdat zelfs indien er sprake zou zijn van staatssteun, de Commissie van oordeel [was] dat de maatregel verenigbaar [was] met de interne markt”.

Nederland won op 16 november 2022 bij het Gerecht, waar de Commissie bevestigde dat zij twijfelde of het steun was, en op 13 juni 2024 bij het Hof. “De Europese Unie beschikt dan ook over een bevoegdheid om zich uit te spreken over de verenigbaarheid met de interne markt van maatregelen die staatssteun vormen, maar niet over de verenigbaarheid van maatregelen waarvan niet is vastgesteld dat zij staatssteun vormen.” Bij twijfel had de Commissie een formele onderzoeksprocedure moeten inleiden. Zij moest zich eerst uitspreken over de vraag of het steun was, en pas daarna over de verenigbaarheid; aan die verplichting kon zij zich niet onttrekken met een beroep op “de mate van gemak waarmee een dergelijke kwalificatie of een dergelijk onderzoek van de verenigbaarheid in een concreet geval kan plaatsvinden”. Zij droeg haar eigen kosten en die van Nederland; ook bij het Gerecht was zij in de kosten verwezen.

Nederland won dus twee keer. Of de 52,5 miljoen euro staatssteun was, heeft geen rechter beslist, en wat de Commissie daarna deed, staat niet in de arresten. De Staat, die de maatregel niet als steun had aangemeld en volhield dat het geen steun was, kreeg gelijk op een vraag naar de bevoegdheid van de Commissie, niet op die bewering.

Vijf van de 88

In het scorebord van deel 1 is het arrest over de gouden aandelen een van de 58 volledige veroordelingen en het Gasunie-arrest een van de 14 gedeeltelijke (bij publicatie stond hier 59 en 13; zie de noot van 27 september 2026 in deel 1). De drie hogere voorzieningen worden apart geteld. In geen van de vijf legt het Hof een geldsom op; de forfaitaire som van 22 mei 2025 uit deel 1 blijft de enige.

Twee andere arresten tonen de overheid als inkoper. Op 24 januari 1995 werd Nederland volledig veroordeeld omdat de aankondiging van een opdracht voor een “meteorological workstation system” niet vermeldde wie bij de opening van de inschrijvingen aanwezig mocht zijn en wanneer en waar die plaatsvond, en omdat het lastenboek UNIX eiste zonder de toevoeging “of daarmee overeenstemmend”. Op 10 mei 2012 volgde een gedeeltelijke veroordeling over de koffieautomaten van de provincie Noord-Holland, die met de keurmerken Max Havelaar en EKO had gewerkt: het Hof stelde vier schendingen van richtlijn 2004/18 vast en verwierp het beroep “voor het overige”. Het UNIX-arrest is in de rechtspraak van de Hoge Raad en zijn parket, voor zover nagegaan, niet terug te vinden, het koffieautomatenarrest eenmaal, als vindplaats in een voetnoot van een conclusie van 13 september 2019.

En dan: wat deed Den Haag ermee?

Van de vijf arresten heeft alleen het arrest dat Nederland in 2006 volledig verloor, aantoonbaar doorgewerkt. Dat arrest komt voor in vier uitspraken van de Hoge Raad en in vijf conclusies van het parket; een van die conclusies is ouder dan het arrest. Geen arrest uit de reeks van 88 komt vaker voor in uitspraken van de Hoge Raad zelf. Met de conclusies van het parket erbij staan er twee hoger: het nitraatarrest uit deel 2, met drie uitspraken en zestien conclusies, en het notarissenarrest uit deel 3, met drie uitspraken en dertien conclusies. De andere vier arresten van dit deel komen, voor zover nagegaan, in geen uitspraak van de Hoge Raad of conclusie van zijn parket voor, en de drie arresten van het Gerecht evenmin.

Het parket laat nergens een redenering op het arrest steunen. Advocaat-generaal Wattel noemde in een conclusie van 28 december 2005 alleen de aanhangige zaken en voegde eraan toe: “Het gouden aandeel in KPN is volgens krantenberichten inmiddels verkocht aan KPN zelf.” Of en wanneer dat gebeurde, staat niet in de arresten. Advocaat-generaal Keus noemde het arrest in een conclusie van 26 november 2010 en in drie gelijkluidende conclusies van 24 juni 2011 in een enkele zin, om te laten zien dat de rechtspraak over gouden aandelen vrijwel steeds over voormalige staatsbedrijven ging: ook de Nederlandse inbreuk “betrof twee voormalige staatsbedrijven”.

De Hoge Raad gebruikte het arrest als bron van een maatstaf, en beide keren viel het oordeel op dat punt uit in het voordeel van de Staat. Op 16 december 2011 haalde hij punt 19 aan voor het begrip ‘directe investering’, in een zaak over dividendbelasting die de belastingplichtige tegen de fiscus verloor. Op 26 juni 2015 volgden de eindarresten in de zaken van de Staat tegen Essent, Eneco en Delta over de splitsingswetgeving voor energiebedrijven. Daarin schreef de Hoge Raad: “Uitgangspunt moet zijn dat het volgens vaste rechtspraak van het HvJEU in beginsel aan de Staat is om te bepalen in welke mate of tot welk niveau hij een bepaald belang wil beschermen en hoe dit moet worden bereikt”. Van de arresten die hij daarbij “onder meer” noemde, staat punt 33 van het arrest van 2006 eerst, gevolgd door twee arresten van het Hof uit 2010, Ladbrokes en Humanplasma. Het woord “niveau” staat niet in punt 33; Ladbrokes spreekt van het gewenste beschermingsniveau, Humanplasma van het niveau waarop de lidstaat de volksgezondheid wil beschermen. Verderop volgt: “De daarop gerichte klachten van de onderdelen 5.6 en 5.7 zijn dan ook gegrond.”

Het arrest waarin de Staat in 2006 werd veroordeeld, werd zo de eerstgenoemde bron voor het uitgangspunt dat het in beginsel aan de Staat is om te bepalen in welke mate hij een belang beschermt. In dezelfde overweging schreef de Hoge Raad wel dat de rechter toetst of de maatregelen geschikt zijn en niet verder gaan dan nodig, en in de volgende verwierp de Hoge Raad het betoog van de Staat dat die toets terughoudend moet zijn. In de zaak tegen Essent bekrachtigde de Hoge Raad het vonnis van de rechtbank, die de vorderingen van Essent had afgewezen; in de zaken tegen Eneco en Delta werden de vorderingen op grond van het VWEU afgewezen, maar gingen de zaken voor het eigendomsrecht naar het gerechtshof Amsterdam. Deel 3 eindigde met de vaststelling dat wat Luxemburg de Staat verweet, in Den Haag een bron van definities was geworden. Bij de splitsingswetgeving werd de overweging uit het verloren arrest die de lidstaten ruimte liet, als vaste rechtspraak het uitgangspunt in de arresten waarin de vorderingen tegen de Staat op grond van het VWEU strandden.

Wat volgt

Deel 7 gaat over wat Nederland won: de twaalf beroepen wegens niet-nakoming die het Hof verwierp, waaronder het elektriciteitsmonopolie, en de twee hogere voorzieningen uit dit deel, samen veertien Nederlandse overwinningen. De ING-zaak en de Hemweg-zaak tellen daar mee; voor de inhoud verwijst deel 7 terug naar dit deel.

Noot van 26 september 2026: deel 7 verschijnt onder de titel ‘Verworpen is niet vrijgesproken’. Het woord ‘overwinningen’ dekt de lading niet. Naast de twaalf verworpen beroepen verloor de Commissie nog een beroep wegens niet-nakoming, dat het Hof niet-ontvankelijk verklaarde; in zeven van die dertien zaken kwam het Hof aan de beslissende vraag over de Nederlandse regeling of praktijk niet toe. In de ING-zaak en de Hemweg-zaak besliste geen rechter de kernvraag, zoals dit deel hierboven liet zien; in de ING-zaak beantwoordde alleen de Commissie haar, in een nieuw besluit dat tegen de Staat uitviel en dat de Staat liet staan.

Verantwoording en bronnen

De tellingen en tijdsafstanden in dit deel zijn eigen rekenwerk op basis van de arresten en de gepubliceerde rechtspraak, stand 1 september 2026; de cijfers over doorwerking zijn een ondergrens. Als doorwerking geldt een aanhaling vanaf 2000 in een uitspraak van de Hoge Raad of een conclusie van zijn parket.

Als volledige veroordeling telt een arrest waarin het Hof geen grief inhoudelijk verwierp en het dictum het beroep niet deels verwerpt. Een middel dat het Hof niet onderzocht, zoals de vestigingsvrijheid bij de gouden aandelen, telt niet als verworpen. Het Gasunie-arrest berust op artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag, niet op artikel 169, maar het dictum stelt vast dat Nederland zijn verplichtingen “niet nagekomen” is, en het scorebord telt het arrest onder de 85. Bij de hogere voorzieningen telt wat het arrest van het Hof voor de Staat betekende; de arresten van het Gerecht zijn voorgeschiedenis en tellen niet afzonderlijk mee. Het arrest van 2006 spreekt van een “bijzonder aandeel” en van “golden shares”; de serie schrijft ‘gouden aandelen’. Het Gasunie-arrest staat op EUR-Lex in kapitalen; citaten daaruit zijn in gewone letters gezet en verder woordelijk overgenomen. Het verschil van anderhalve cent tussen het nieuwe Gasunie-tarief en de marge van de Commissie is eigen rekenwerk op basis van r.o. 27 en 29. De aangehaalde overwegingen en dicta zijn nagelezen in de arresttekst. Van de overige stukken zijn de aangehaalde passages en de beslissing gelezen.

HvJ 28 september 2006, gevoegde zaken C-282/04 en C-283/04 (Commissie/Nederland), Jur. 2006, p. I-9141, ECLI:EU:C:2006:608: arresttekst op EUR-Lex. Bijzondere aandelen van de Staat in KPN en TPG; r.o. 5 tot en met 7, 9 tot en met 11, 16, 17, 19, 22 tot en met 24, 29, 30, 33, 35 tot en met 40, 42, 43, 45 en dictum.

HvJ 2 februari 1988, zaak 213/85 (Commissie/Nederland), Jur. 1988, p. 281, ECLI:EU:C:1988:39: arresttekst op EUR-Lex. Preferentieel aardgastarief voor de tuinbouw; r.o. 2 tot en met 4, 6, 7, 9, 17, 19, 21 tot en met 31, 33 en dictum.

HvJ 8 september 2011, zaak C-279/08 P (Commissie/Nederland), Jur. 2011, p. I-7671, ECLI:EU:C:2011:551: arresttekst op EUR-Lex. NOx-emissierechten, hogere voorziening van de Commissie; r.o. 1 tot en met 3, 5, 6, 8, 22, 23, 41 tot en met 43, 63, 64, 66, 76, 78, 106, 107, 111, 113, 134, 136, 137 en dictum. In eerste aanleg: Gerecht van eerste aanleg 10 april 2008, zaak T-233/04 (Nederland/Commissie), Jur. 2008, p. II-591, ECLI:EU:T:2008:102: arresttekst op EUR-Lex; r.o. 78, 96, 100 en dictum.

HvJ 3 april 2014, zaak C-224/12 P (Commissie/Nederland en ING Groep), ECLI:EU:C:2014:213: arresttekst op EUR-Lex. Kapitaalinbreng in ING, hogere voorziening van de Commissie; kop, r.o. 1, 4, 6, 7, 10, 12, 13, 20 tot en met 22, 29, 31, 37, 38, 45, 46, 73, 83, 91, 98, 99 en dictum. In eerste aanleg: Gerecht 2 maart 2012, gevoegde zaken T-29/10 en T-33/10 (Nederland en ING Groep/Commissie), ECLI:EU:T:2012:98: arresttekst op EUR-Lex; r.o. 6, 35, 110, 115, 124, 125, 139, 143, 150 tot en met 153, 156, 160 en dictum.

HvJ 13 juni 2024, zaak C-40/23 P (Commissie/Nederland), ECLI:EU:C:2024:492: arresttekst op EUR-Lex. Nadeelcompensatie voor de kolencentrale Hemweg 8, hogere voorziening van de Commissie; r.o. 7, 8, 10, 11, 37, 42, 44, 48, 49, 54 en dictum. In eerste aanleg: Gerecht 16 november 2022, zaak T-469/20 (Nederland/Commissie), ECLI:EU:T:2022:713: arresttekst op EUR-Lex; r.o. 3, 5, 6, 9, 10, 14, 60, 72 en dictum.

HvJ 24 januari 1995, zaak C-359/93 (Commissie/Nederland), Jur. 1995, p. I-157, ECLI:EU:C:1995:14: arresttekst op EUR-Lex. Aankondiging en lastenboek met UNIX; r.o. 5 tot en met 7, 23 en dictum. HvJ 10 mei 2012, zaak C-368/10 (Commissie/Nederland), ECLI:EU:C:2012:284: arresttekst op EUR-Lex. Koffieautomaten van de provincie Noord-Holland; r.o. 1, 14, 29, 57 en dictum.

Uitspraken van de Hoge Raad: 16 december 2011, nr. 10/04920, ECLI:NL:HR:2011:BU8256 (dividendbelasting; r.o. 3.6 tot en met 3.8 en beslissing); 26 juni 2015, nr. 10/03851 (Staat/Essent), ECLI:NL:HR:2015:1727, nr. 10/03852 (Staat/Eneco), ECLI:NL:HR:2015:1728, en nr. 10/03853 (Staat/Delta), ECLI:NL:HR:2015:1729 (alle drie r.o. 3.14.2, 3.14.3 en beslissing; in de zaak Essent ook r.o. 4.10.3 en 4.11). Naast C-282/04 noemt r.o. 3.14.2 HvJ 3 juni 2010, zaak C-258/08 (Ladbrokes), ECLI:EU:C:2010:308, r.o. 19 en 20, en HvJ 9 december 2010, zaak C-421/09 (Humanplasma), ECLI:EU:C:2010:760, r.o. 32, 39 en 40; “beschermingsniveau” staat in Ladbrokes, r.o. 20, “op welk niveau” in Humanplasma, r.o. 39.

Conclusies van het parket bij de Hoge Raad, gedateerd op de datum die zij zelf dragen: 28 december 2005 (bij het arrest van 14 april 2006), ECLI:NL:PHR:2006:AV0834 (Wattel; voetnoot 21); 26 november 2010 (bij het arrest van 21 januari 2011), ECLI:NL:PHR:2011:BO5290 (Keus; punt 3.5 en voetnoot 23); 24 juni 2011 (bij de arresten van 24 februari 2012), ECLI:NL:PHR:2012:BQ9210, ECLI:NL:PHR:2012:BQ9212 en ECLI:NL:PHR:2012:BQ9214 (Keus; punt 3.19 en voetnoot 48); 13 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:891 (Drijber; de voetnoot die C-368/10, punt 74, als vindplaats noemt).