Commissie tegen Nederland (8/8): geen gehoor

In 2020 gaf de regering “geen gehoor” aan een advies van de Commissie over pensioenoverdracht. Het Hof veroordeelde Nederland in 2023 in die zaak en een tweede pensioenzaak, en in 2025 tot de enige geldsom uit 88 arresten: 10.000.000 euro. Telkens kwam de aanpassing pas na het beroep of het arrest.

Oranje-rode dossieromslag: Commissie tegen Nederland 8/8, ‘Geen gehoor’; 3 veroordelingen, 10.000.000 euro forfaitaire som, geen enkele keer aangehaald door de Hoge Raad.

Op 27 januari 2020 schreef minister Hoekstra van Financiën aan de Tweede Kamer: “De regering heeft besloten geen gehoor te geven aan het advies van de Europese Commissie [...].” Het ging om de voorwaarden voor grensoverschrijdende waardeoverdracht van pensioen, in een zaak waarin de Commissie Nederland op 28 november 2019 een aanvullend advies had gestuurd. De regering paste de wetgeving niet aan, en de minister schreef erbij: “Aangezien het advies van de Europese Commissie niet wordt opgevolgd, kan niet worden uitgesloten dat de Europese Commissie een procedure bij het Hof van Justitie start.” Op 16 november 2023, bijna vier jaar na de brief, stelde het Hof van Justitie in die zaak vast dat Nederland met zijn voorwaarden voor de overdracht van pensioen naar een andere lidstaat artikel 45 VWEU had geschonden, de bepaling over het vrije verkeer van werknemers. Dezelfde dag stelde het dat ook vast in een tweede pensioenzaak, over de afkoopvoorwaarde.

Dit slotstuk behandelt dat pensioentweeluik en het arrest van 22 mei 2025 over de Open-datarichtlijn, met de enige door het Hof opgelegde geldsom uit 88 arresten, en maakt de balans op van bijna vijftig jaar. In de pensioenzaken schreef Den Haag de Commissie in 2013 en in 2018 dat de regeling “niet zou worden aangepast”, en bleef het in 2020 bij dat standpunt. In de open-datazaak kondigde het een wetsvoorstel aan voor het einde van 2021, dat pas in juni 2023 bij de Tweede Kamer kwam, en deelde het, zoals het zelf bevestigde, tot na het beroep geen enkele omzettingsmaatregel mee. In alle drie de zaken kwam de aanpassing pas na het beroep bij het Hof of na het arrest.

De serie leest de arresten tegen een vast kader: loyale samenwerking (artikel 4, lid 3, VEU, vroeger artikel 5 EEG-Verdrag en artikel 10 EG), de rechtsstaat (artikel 2 VEU), de grondrechten (artikel 6, lid 3, VEU) en effectieve rechtsbescherming en een eerlijk proces (artikel 19, lid 1, VEU, artikel 47 van het Handvest en artikel 6 EVRM). In het open-data-arrest noemt het Hof artikel 4, lid 3, VEU zelf, als grondslag van de mededelingsplicht: zoals het herhaaldelijk heeft geoordeeld, moeten de lidstaten die mededeling doen “overeenkomstig het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking” (overweging 40), en in de overwegingen 87 en 114 spreekt het Hof van de volle werking van het Unierecht. Een afzonderlijke schending van artikel 4, lid 3, VEU stelt het niet vast. In de pensioenarresten noemt het Hof geen van die bepalingen en toetst het alleen aan artikel 45 VWEU, in de afkoopzaak ook aan artikel 28 van de EER-Overeenkomst; daar is het kader de lezing van deze serie.

Het pensioentweeluik

Wie in Nederland via zijn werkgever aanvullend pensioen had opgebouwd en voor een baan naar een andere lidstaat vertrok, kon de waarde van zijn aanspraken daarheen overdragen, maar belastingvrij alleen onder voorwaarden. Volgens artikel 85 en 87 van de Pensioenwet, gelezen met artikel 19b, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, gold dat alleen “als de mogelijkheden om die aanspraken als een kapitaal af te kopen dezelfde zijn als of beperkter zijn dan naar Nederlands recht” (dictum in de afkoopzaak, C-360/22); anders werd de aanspraak “geacht te worden afgekocht” en belast. Daarnaast moest de buitenlandse instelling zekerheid stellen voor de belasting, of aansprakelijkheid aanvaarden, of de werknemer zelf zekerheid laten stellen (de zekerheidszaak, C-459/22).

De formele procedure in de zekerheidszaak begon met een aanmaningsbrief van 28 februari 2008; volgens de regering liep het informele overleg met de Commissie al sinds 2007, in de afkoopzaak sinds 2009. Nederland antwoordde op 25 april 2008 dat de regeling “niet onverenigbaar” was met de Verdragsvrijheden, en na het met redenen omkleed advies van 22 november 2012 schreef het op 18 februari 2013 “dat het de mening van de Commissie niet deelde en dat de nationale regeling niet zou worden aangepast”. Op het aanvullende advies van 28 november 2019 antwoordde het op 27 januari 2020, de datum van de brief van Hoekstra, dat het “bij zijn standpunt bleef”. Het beroep volgde op 8 juli 2022. In de afkoopzaak volgden op de aanmaningsbrief van 22 november 2012 en het advies van 20 juli 2018 dezelfde antwoorden, op 21 maart 2013 en op 19 september 2018; het beroep kwam op 3 juni 2022. Van aanmaningsbrief tot arrest in de zekerheidszaak (28 februari 2008 tot 16 november 2023) verstreken 15 jaar, 8 maanden en 19 dagen.

In Luxemburg stelde Nederland dat er geen verschil in fiscale behandeling was en dat “alleen een discriminerende maatregel” het vrije verkeer van werknemers kan beperken. Het Hof stelde het verschil vast met wat de regering zelf erkende: overdracht binnen Nederland werd in de praktijk niet belast, en afkoop is in Nederland “slechts in een beperkt aantal situaties mogelijk”. Dat het nadeel uit verschillen tussen de stelsels voortkwam, verwierp het Hof: “In casu volgt de ongunstige fiscale behandeling van migrerende werknemers echter rechtstreeks uit de toepassing van de Nederlandse regeling en niet uit een onvermijdelijk verschil tussen deze regeling en de regeling van de andere lidstaten.” In de zekerheidszaak bevestigde Nederland zelf dat een Nederlandse instelling een werknemer in Nederland nooit aansprakelijkheid weigert, zodat alleen de vertrekkende werknemer zekerheid kon moeten stellen. Nederland noemde als doel “de bescherming van het pensioen van migrerende werknemers”. Over werknemers die hun aanvullend pensioen in de ene lidstaat hebben opgebouwd en daarna in een andere lidstaat gaan werken, stelde het Hof vast: “In die situatie worden die werknemers door de toepassing van de betrokken nationale bepalingen benadeeld.”

In de keuze van het toetsingskader volgde het Hof de lijn van Nederland: diensten- en kapitaalverkeer zijn ondergeschikt aan het vrije verkeer van werknemers, dus toetste het aan die vrijheid, al erkende het dat de regeling “ook afbreuk kan doen aan het vrij verrichten van diensten en het vrije verkeer van kapitaal”. Het doel, levenslange pensioenuitkeringen, aanvaardde het in beginsel als mogelijke rechtvaardiging, maar de regels haalden de toets niet. De afkoopvoorwaarde had “uitsluitend tot gevolg” dat de overdracht naar een lidstaat met ruimere afkoop “nadeliger wordt”, en de zekerheidseis ging “veel verder dan noodzakelijk is om de doelstelling van sociale bescherming van de werknemers te bereiken”. In de afkoopzaak eiste het Hof voor een beroep op het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel een “objectieve, uitvoerige en cijfermatige analyse”, en het oordeelde: “Vastgesteld moet worden dat dergelijk bewijs in casu ontbreekt. Het Koninkrijk der Nederlanden verwijst namelijk louter naar het risico van een aanzienlijke jaarlijkse derving van belastinginkomsten van de Nederlandse Staat [...] en stelt enkel dat de betrokken nationale regeling zonder onderscheid van toepassing is op werknemers die in Nederland van dienstbetrekking veranderen en op werknemers die een dienstbetrekking in een andere lidstaat aanvaarden.” In de zekerheidszaak overwoog het Hof dat een zekerheid in beginsel pas mag worden geëist na een inschatting van het invorderingsrisico, en het stelde vast: “Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt echter niet dat dat risico is beoordeeld.” In beide zaken werd Nederland als de partij die “in het ongelijk is gesteld” in de kosten verwezen.

Pas na het arrest

Drie weken na de arresten, op 7 december 2023, schreef het Ministerie van Financiën in een beslisnota voor de staatssecretaris: “De arresten hebben vooralsnog geen budgettaire gevolgen aangezien de Nederlandse heffingsrechten niet geraakt worden door de arresten.” Er volgde een voorbehoud: “Wel kunnen er mogelijk routes ontstaan om in Nederland opgebouwde pensioenen in het buitenland fiscaal gunstig af te kopen.” In de afkoopzaak had Nederland volgens het Hof nog gewezen op “het risico van een aanzienlijke jaarlijkse derving van belastinginkomsten van de Nederlandse Staat”. In de Kamerbrief van 22 december 2023 erkende staatssecretaris Van Rij welk gevolg de afkoopvoorwaarde had gehad: “In de praktijk zijn er meerdere lidstaten van de EU waar de afkoopmogelijkheden ruimer zijn dan in Nederland. Hierdoor vindt in die situaties, waarbij de afkoopmogelijkheden in het buitenland ruimer zijn, geen waardeoverdracht plaats.”

Vanaf 16 november 2023 werden de arresten volgens die brief “door de Belastingdienst gerespecteerd”. Een beleidsbesluit van 21 maart 2024 liet twee voorwaarden vallen voor overdrachten aan fiscaal niet-aangewezen uitvoerders in de EU, de EER en Zwitserland, en “werkt terug tot en met 16 november 2023”. De wet van 18 december 2024 wijzigde artikel 85 en 87 van de Pensioenwet met terugwerkende kracht tot en met dezelfde datum. In de toelichting staat: “Nederland is vanwege de arresten verplicht deze maatregelen te nemen.” Van arrest tot beleidsbesluit verstreken ruim vier maanden (16 november 2023 tot 21 maart 2024), tot de wet ruim dertien maanden (16 november 2023 tot 18 december 2024). De wijziging van artikel 85 en 87 en het beleidsbesluit werken niet verder terug dan de dag van het arrest.

Artikel 88 en 89 van de Pensioenwet bleven buiten de aanpassing. Daarin had de wetgever in 2017, terwijl de procedure over de afkoopvoorwaarde liep, dezelfde voorwaarde opgenomen; de memorie van toelichting schreef: “In het voorliggende wetsvoorstel worden deze voorwaarden nu ook voor de artikelen 88 en 89 van de Pensioenwet opgenomen.” De paragraaf waarin die zin staat, noemt als aanleiding een toezegging aan de Eerste Kamer; de procedure van de Commissie noemt hij niet. Voetnoot 38 van de memorie van toelichting bij de wet van 2024 noemt naast de Pensioenwet (Pw) ook de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb): “Conform de uitspraak van het HvJ EU geldt deze aanpassing uitsluitend voor de artikelen 85 en 87 Pw en de artikelen 93 en 95 Wvb. Deze artikelen zien op de grensoverschrijdende situatie gelijk aan artikel 71 Pw en artikel 82 Wvb in de binnenlandse situatie.” Over artikel 88 en 89 oordeelde het Hof niet. De Commissie seponeerde de zekerheidszaak volgens de regering op 8 oktober 2025, ruim zeventien jaar na de aanmaningsbrief van 28 februari 2008, zonder vermelde reden.

Een wetsvoorstel tegen het einde van 2021

De Open-datarichtlijn, richtlijn 2019/1024, moest uiterlijk op 17 juli 2021 zijn omgezet, met onverwijlde mededeling aan de Commissie. Na haar aanmaningsbrief van 29 september 2021 schreef Nederland op 26 november 2021 dat een wetsvoorstel “tegen het einde van 2021” aan het parlement zou worden voorgelegd. Daarna bleven mededelingen uit; op 6 april 2022 volgde het met redenen omkleed advies. Op 2 juni 2022 wees Nederland onder meer op “het hangende advies van de Raad van State over de omzetting”; volgens het Kamerstuk met dat advies werd het voorstel pas bij kabinetsmissive van 25 juli 2022 bij de Afdeling advisering van de Raad van State aanhangig gemaakt. Het arrest vervolgt: “Daar de Commissie niets meer had vernomen over de omzetting van richtlijn 2019/1024 door deze lidstaat, heeft zij op 15 februari 2023 besloten om de zaak bij het Hof aanhangig te maken.” Het beroep volgde op 31 maart 2023, en het wetsvoorstel ging op 22 juni 2023 naar de Tweede Kamer. De regering erkende in het nader rapport van 16 juni 2023 dat de procedure “tot boetes en/of dwangsommen voor Nederland kan leiden”. De wet trad op 19 juni 2024 in werking; op 21 juni 2024 informeerde Nederland het Hof en de Commissie.

Voor het Hof bevestigde Nederland dat het bij de indiening van zijn verweerschrift “geen enkele omzettingsmaatregel van richtlijn 2019/1024 aan de Commissie had meegedeeld”, en het betwistte dus niet dat het artikel 17 van die richtlijn had geschonden. Volgens het Hof had Nederland bij het einde van de termijn uit het advies niet alle nodige bepalingen vastgesteld en dus niet meegedeeld. Zonder mededeling “is de Commissie niet in staat om na te gaan of de lidstaat de richtlijn werkelijk en volledig heeft uitgevoerd”, en omzetten en meedelen zijn “kernverplichtingen om de volle werking van het Unierecht te verzekeren, zodat de niet-nakoming van deze verplichtingen als ernstig moet worden beschouwd”.

Nederland voerde drie verzachtende omstandigheden aan: het was nooit eerder op grond van artikel 260, leden 2 en 3, VWEU veroordeeld, de COVID-19-pandemie zou een deel van de vertraging verklaren, en de omzetting zou moeilijk te verzoenen zijn met de bescherming van persoonsgegevens. Het Hof verwierp alle drie. De pandemie was een abnormale en onvoorzienbare gebeurtenis, maar Nederland zette pas ongeveer drie jaar na de termijn om, stelde niet dat de pandemie de hele vertraging verklaarde, en de Uniewetgever verlengde de termijn niet. Het Hof erkende: “Uiteraard kan de moeilijkheid om onderscheid te maken tussen gevoelige en niet-gevoelige gegevens niet worden genegeerd.” Nederland had er volgens eigen zeggen zelf voor gekozen de verantwoordelijkheid voor het maken van dat onderscheid niet aan de uitvoerende diensten over te laten, en het Hof concludeerde: “Bijgevolg houdt de vertraging bij de omzetting van deze richtlijn minstens ten dele verband met strategische keuzen die het Koninkrijk der Nederlanden zelf heeft gemaakt en dus met omstandigheden die het Hof niet als verzachtende omstandigheden in aanmerking kan nemen.”

Tien miljoen euro

De Commissie vroeg een forfaitaire som van 14.859.100 euro: 13.900 euro per dag voor 1.069 dagen, van 18 juli 2021 tot 21 juni 2024. Haar vordering van een dwangsom van 75.060 euro per dag trok zij op 31 juli 2024 in, omdat Nederland de richtlijn inmiddels had omgezet en de omzettingsmaatregelen had meegedeeld. Het Hof stelde vast dat die afstand van instantie “het gevolg was van de houding van het Koninkrijk der Nederlanden”, en liet Nederland daarom ook de kosten van de Commissie dragen. In het voordeel van Nederland woog het Hof mee dat de gevolgen mogelijk beperkt waren, omdat de uitvoeringsverordening voor hoogwaardige datasets nog niet van toepassing was en er vergelijkbare Nederlandse regels bestonden; ook liet het een demografisch criterium uit de berekening van de Commissie vallen. Het Hof legde 10.000.000 euro op, zonder rekensom, “om effectief te voorkomen dat inbreuken die vergelijkbaar zijn met die op artikel 17 van richtlijn 2019/1024 en die de volle werking van het Unierecht aantasten, zich in de toekomst zullen herhalen”. In de reeks van 88 was het de eerste keer dat een zaak van de Commissie tegen Nederland uitliep op een door het Hof opgelegde geldsom.

Het geld stond al gereserveerd. De Najaarsnota van 29 november 2024, bijna zes maanden voor het arrest van 22 mei 2025, boekte bij Binnenlandse Zaken 15 miljoen euro: “Er worden middelen gereserveerd in het geval het Europese Hof van Justitie overgaat tot vaststelling van een forfaitaire som in verband met de te late omzetting van de Europese Open Data Richtlijn in Nederlandse wetgeving.” In de eerste suppletoire begroting van 2025 heette de post “EU boete open data richtlijn”. Het jaarverslag van Binnenlandse Zaken over 2025 meldt: “In 2025 is deze forfaitaire som vastgesteld op € 10 mln.”

Een afzonderlijke Kamerbrief over het arrest is, voor zover nagegaan, niet verschenen. De minister van Binnenlandse Zaken antwoordde bij brief van 10 juni 2025 op een vraag van de vaste commissie voor Digitale Zaken: “De boete is uitgekomen op een bedrag van € 10 miljoen.” Het jaarbericht 2025 van de procesvertegenwoordiging bij het Hof schreef dat het Hof het bedrag oplegde “rekening houdend met enkele verzachtende omstandigheden”, terwijl het Hof de drie aangevoerde verzachtende omstandigheden verwierp en alleen de beperkte gevolgen meewoog. De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat schreef op 24 april 2026, in een nota over de omzetting van de herziene richtlijn luchtkwaliteit, dat de implementatielast bij de ministeries groot is: “Dat maakt dat voor meer implementaties achterstanden ontstaan en zijn ontstaan.” De nota noemt direct daarna de veroordeling in C-213/23 en vervolgt: “Om de boetedreiging te minimaliseren, wordt gekeken hoe implementatie kan worden versneld.” De Commissie seponeerde de open-datazaak volgens de regering op 11 december 2025, zonder vermelde reden.

Het verloop was niet nieuw. In de vogelzaak uit deel 2 kreeg de Commissie in mei 1990 de toezegging dat twee wetsontwerpen zo snel mogelijk naar het parlement zouden gaan, waarna zij niets meer hoorde. Op 6 februari 1992 stelde het Hof vast dat Nederland het arrest van 1987 over de Vogelrichtlijn niet had uitgevoerd; een geldsom kon het nog niet opleggen, want die bevoegdheid stond in het Verdrag van Maastricht, dat een dag later werd ondertekend. In 1992 ging het om artikel 171 van het EEG-Verdrag, het niet uitvoeren van een arrest, in 2025 om artikel 260, lid 3, VWEU, niet meegedeelde omzettingsmaatregelen.

En dan: wat deed Den Haag ermee?

Deel 1 beloofde per aflevering te laten zien welke arresten doorwerkten, en waar. Geen uitspraak van de Hoge Raad en geen stuk van zijn parket haalt C-360/22, C-459/22 of C-213/23 aan. Het blijft dus bij 33 gelande arresten van de 88, in 18 uitspraken van de Hoge Raad en 92 stukken van het parket, en geen arrest uit de jaren twintig is daar geland.

Bij andere rechters komt, voor zover nagegaan, alleen C-459/22 voor, in vier uitspraken, en geen daarvan gaat over waardeoverdracht van pensioen. Bij de rechtbank Den Haag beriep een burger zich erop in een zaak over de vaststelling van zijn niet in Nederland belastbaar inkomen, voor de bijdrage aan de zorgverzekering. De rechtbank overwoog in haar mondelinge uitspraak van 19 september 2024: “Het door eiser aangevoerde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 november 2023 (C-459/22) brengt hier evenmin verandering in.” Een reden gaf zij niet, en zij zag “geen aanleiding” voor een prejudiciële vraag, waartoe zij als rechter in eerste aanleg ook niet verplicht was. Het gerechtshof Den Haag bevestigde de uitspraak op 16 juli 2025; de zin staat daar alleen in de geciteerde uitspraak van de rechtbank, en voor de overgenomen gronden verwees het gerechtshof naar “r.o. 6 tot en met 10” van de rechtbank. De Hoge Raad oordeelde op 23 januari 2026 dat het cassatieberoep “duidelijk niet kan slagen” en verklaarde het niet-ontvankelijk, “zonder verdere motivering”, op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie, zonder C-459/22 te noemen.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant, die het arrest alleen bij datum en ECLI noemde, oordeelde op 4 april 2025 in een zaak over loonheffing op het ABP-pensioen van een burger in Frankrijk dat het arrest “geen betrekking heeft op de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen Nederland en Frankrijk omdat dit een bilateraal verdrag is”, en: “De rechtbank is van oordeel dat dit arrest voor de onderhavige zaak niet relevant is.” De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gebruikte het arrest op 9 september 2026 in een zaak van een kamerverhurende bv tegen het college van burgemeester en wethouders van Lisse, voor de regel dat bij samenloop een ondergeschikte vrijheid niet apart wordt getoetst. Zij verwees naar “de uitspraak van het Hof van Justitie van 24 oktober 2019, ECLI:EU:C:2023:878, onder 19”, een datum die niet bij die ECLI hoort. Met die regel liet zij het beroep op artikel 45 VWEU onbesproken; in C-459/22 was het omgekeerd en waren diensten- en kapitaalverkeer ondergeschikt aan het vrije verkeer van werknemers. Het hoger beroep verklaarde zij op andere gronden gegrond, met instandhouding van de rechtsgevolgen. Het Hof van Justitie haalde C-459/22 in het arrest Plavec van 3 april 2025 aan als vindplaats voor vaste rechtspraak over het vrije verkeer. Over de naleving door Nederland zegt die aanhaling niets.

De balans van bijna vijftig jaar

De reeks telt 88 arresten, van 12 juli 1977 tot en met 22 mei 2025: 85 beroepen wegens niet-nakoming en 3 hogere voorzieningen. In bijna vijftig jaar werden 72 van de 85 beroepen wegens niet-nakoming geheel of gedeeltelijk toegewezen, en 13 verloor de Commissie (12 verworpen, 1 niet-ontvankelijk); in 7 daarvan kwam het Hof niet toe aan de beslissende vraag (deel 7). De forfaitaire som van 22 mei 2025 is de enige geldsom die het Hof in de reeks oplegde, zoals deel 6 al schreef, en het arrest van 1992 is het enige wegens niet-uitvoering van een eerder arrest. Van de 88 zijn er 33 aantoonbaar geland bij de Hoge Raad en zijn parket, en verloren beroepen landden daar naar verhouding vaker (8 van de 13) dan geheel of gedeeltelijk toegewezen beroepen (25 van de 72).

Te late of onvolledige omzetting keert in de reeks telkens terug, onder meer bij de Zwemwaterrichtlijn (1982, deel 2), de Grondwaterrichtlijn (1987, deel 2) en de Open-datarichtlijn (2025). Een toezegging of een advies gevolgd door stilte van Nederland komt voor in de zaak over de Jachtwet van 1990, waarin een advies onbeantwoord bleef, in de vogelzaak van 1992 en in de open-datazaak; bij de certificaten uit Curaçao en Aruba kwam het antwoord op het advies op 19 november 2015, elf maanden na de gestelde termijn (deel 3). Nadat Nederland op 17 november 1989 had erkend dat het technische voorschriften voor kilowattuurmeters had moeten melden, stelde het in 1990 opnieuw voorschriften vast zonder melding, voor margarine en bloembollen (deel 4). In vier van de verloren zaken van deel 7 lag de bewijslast bij de Commissie en lagen de gegevens bij de Staat. In de afkoopzaak droeg de Staat zelf de bewijslast voor zijn beroep op het financiële evenwicht, en het Hof stelde vast dat het bewijs ontbrak; in de zekerheidszaak bleek uit het dossier niet dat Nederland het invorderingsrisico had beoordeeld. En zoals in deel 5 viel een last op de burger voordat hij zijn recht kon gebruiken: alleen de vertrekkende werknemer kon zekerheid moeten stellen.

Voor zover nagegaan noemt het Hof de loyaliteitsbepaling zelf in ten minste drie arresten: de tolzaak van 2000 (artikel 5 EG-Verdrag, bij een exceptie, deel 7), het arrest over de certificaten uit Curaçao en Aruba van 31 oktober 2019 (artikel 4, lid 3, VEU in het dictum) en het open-data-arrest. Deel 7 schreef over de dertien verloren zaken dat het Hof de kaderbepalingen daar op een na niet noemt.

Het kader

In het open-data-arrest noemt het Hof de norm zelf: de mededelingsplicht rust op artikel 4, lid 3, VEU, omzetten en meedelen zijn “kernverplichtingen om de volle werking van het Unierecht te verzekeren”, en de forfaitaire som moet herhaling van zulke inbreuken voorkomen. Voor de pensioenzaken is het kader de lezing van deze serie, en de feiten ondersteunen die lezing. Nederland schreef de Commissie in 2013 in de zekerheidszaak dat de regeling niet zou worden aangepast, nam in 2017, terwijl de procedure over de afkoopvoorwaarde liep, die voorwaarde ook op in artikel 88 en 89 van de Pensioenwet, en schreef in 2018 in de afkoopzaak opnieuw dat de regeling niet zou worden aangepast. In 2020 gaf het “geen gehoor”, terwijl de minister zelf schreef dat een procedure bij het Hof niet kon worden uitgesloten. In Luxemburg leverde Nederland geen bewijs voor zijn beroep op het financiële evenwicht, en uit het dossier bleek niet dat Nederland het invorderingsrisico had beoordeeld. In de lezing van deze serie staat die gang van zaken haaks op artikel 4, lid 3, VEU. Voor artikel 2 VEU weegt dat Nederland de Open-datarichtlijn volgens het Hof bijna drie jaar te laat omzette, voor artikel 6, lid 3, VEU dat Nederland met zijn regeling migrerende werknemers benadeelde in wat het Hof een “fundamentele vrijheid” noemt. Artikel 19, lid 1, VEU, artikel 47 van het Handvest en artikel 6 EVRM vragen dat wie een Europees recht heeft, het in een eerlijk proces bij de rechter kan halen. De regering achtte de kans van slagen van een beroep op de rechtstreekse werking van de richtlijn “voor de meeste bepalingen op dit moment klein”, omdat veel regels volgens haar vrijblijvend, voorwaardelijk, onvoldoende nauwkeurig of nog niet van toepassing waren. De burger die C-459/22 in Den Haag inriep, kreeg over dat arrest een zin zonder reden, en de Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep “duidelijk niet kan slagen” en verklaarde het “zonder verdere motivering” niet-ontvankelijk. Geen uitspraak stelt vast dat een Nederlandse rechter die drie bepalingen schond, en het Hof legde artikel 2, artikel 6, lid 3, en artikel 19, lid 1, VEU, artikel 47 van het Handvest en artikel 6 EVRM in deze arresten niet als maatstaf aan.

Het slot van de serie

Acht delen volgden de 88 arresten: het scorebord, de waterlijn, de fiscale as, de meldingsplicht, de mensen aan de grens, de Staat als ondernemer en steunverlener, de verloren beroepen en dit slotstuk. Ze tonen een Staat die in 72 van de 85 beroepen wegens niet-nakoming geheel of gedeeltelijk in het ongelijk werd gesteld. In de pensioenzaken schreef hij de Commissie dat de regeling “niet zou worden aangepast”, in de open-datazaak deelde hij de omzetting pas na het beroep mee, en in alle drie de slotzaken paste hij zijn regels pas na het beroep of het arrest aan. De Hoge Raad en zijn parket haalden 33 van de 88 arresten aantoonbaar aan, het pensioentweeluik en het arrest met de enige opgelegde geldsom niet. De serie las de 88 arresten tegen de loyale samenwerking van artikel 4, lid 3, VEU, de rechtsstaat en de grondrechten van artikel 2 en artikel 6, lid 3, VEU, en de effectieve rechtsbescherming en het eerlijk proces van artikel 19, lid 1, VEU, artikel 47 van het Handvest en artikel 6 EVRM. In het open-data-arrest verbond het Hof de mededelingsplicht zelf met artikel 4, lid 3, VEU en noemde het omzetten en meedelen “kernverplichtingen om de volle werking van het Unierecht te verzekeren”. Hiermee sluit de serie.

Verantwoording en bronnen

De tellingen en tijdsafstanden in dit deel zijn eigen rekenwerk op basis van de arresten en de gepubliceerde rechtspraak, stand 4 september 2026, voor de drie slotarresten 27 september 2026; de cijfers over doorwerking zijn een ondergrens. Als doorwerking bij de Hoge Raad geldt een aanhaling vanaf 2000 in een van zijn uitspraken of in een stuk van zijn parket. De aangehaalde overwegingen en dicta zijn nagelezen in de arresttekst. In C-459/22 telt de Nederlandse tekst het citaat uit het besluit van 9 oktober 2015 als afzonderlijk punt 7; de Franse tekst en het Hof zelf in het arrest Plavec (punt 30, met een verwijzing naar “punt 29”) tellen vanaf daar een nummer lager. De nummers hier volgen de Nederlandse tekst. Geen van de drie arresten heeft een conclusie van de advocaat-generaal. De vogelzaak van 1992 en de patronen volgen de eerdere delen. Regeringsstukken: stand 27 september 2026.

HvJ (Zesde kamer) 16 november 2023, zaak C-360/22 (Commissie/Nederland), ECLI:EU:C:2023:875: arresttekst op EUR-Lex. Afkoopvoorwaarde bij waardeoverdracht van pensioen naar een andere lidstaat; r.o. 7, 11 tot en met 14, 17, 19 tot en met 21, 23, 24, 27, 30 tot en met 32, 36, 38, 49, 50, 52, 56 tot en met 58, 61 en dictum.

HvJ (Zesde kamer) 16 november 2023, zaak C-459/22 (Commissie/Nederland), ECLI:EU:C:2023:878: arresttekst op EUR-Lex. Zekerheid of aansprakelijkheid voor belasting bij waardeoverdracht van pensioen naar een andere lidstaat; r.o. 11 tot en met 15, 18, 21, 22, 26, 34, 37, 38, 48, 49, 53, 56 en dictum.

HvJ (Tiende kamer) 22 mei 2025, zaak C-213/23 (Commissie/Nederland), ECLI:EU:C:2025:370: arresttekst op EUR-Lex. Onvolledige omzetting van richtlijn 2019/1024 zonder mededeling, forfaitaire som op grond van artikel 260, lid 3, VWEU; r.o. 1, 9, 20 tot en met 25, 29, 31, 37, 38, 40, 48, 50 tot en met 55, 79, 87, 92, 93, 97, 100, 105, 113, 114, 118, 119 en dictum.

HvJ (Derde kamer) 3 april 2025, zaak C-807/23 (Plavec), ECLI:EU:C:2025:234: arresttekst op EUR-Lex. Prejudicieel arrest over de opleiding van advocaat-stagiairs in Oostenrijk; r.o. 30.

HvJ 6 februari 1992, zaak C-75/91 (Commissie/Nederland), Jur. 1992, p. I-549, ECLI:EU:C:1992:60: arresttekst op EUR-Lex. Niet-uitvoering van het arrest in zaak 236/85; r.o. 4 en dictum, gebruikt zoals deel 2 het beschreef. Voor C-395/17 (ECLI:EU:C:2019:918) en de overige arresten uit de balans: zie de delen 1 tot en met 7.

Nederlandse uitspraken: Rechtbank Den Haag 19 september 2024 (proces-verbaal van de mondelinge uitspraak), ECLI:NL:RBDHA:2024:17395 (r.o. 12 en 17); Gerechtshof Den Haag 16 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2319 (r.o. 3 en 5.1.2 en beslissing); Hoge Raad 23 januari 2026, nr. 25/02773, ECLI:NL:HR:2026:105 (r.o. 1 en beslissing); Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 april 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1997 (r.o. 5 en 5.2 en voetnoten); Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5324 (r.o. 9.1, 9.2 en 18 en beslissing).

Stukken over de pensioenzaken: Kamerstukken II 2019/20, 21 501-07, nr. 1648 (brief van de minister van Financiën, 27 januari 2020); beslisnota van het Ministerie van Financiën van 7 december 2023, nr. 2023-0000274337; Kamerstukken II 2023/24, 32 043, nr. 629 (brief van de staatssecretaris van Financiën, 22 december 2023); Besluit van 21 maart 2024, nr. 2024-6955, Stcrt. 2024, 10467 (artikel I en II); Kamerstukken II 2024/25, 36 603, nr. 3 (memorie van toelichting Overige fiscale maatregelen 2025, ingediend 17 september 2024, paragraaf 2.14 en voetnoot 38); Wet van 18 december 2024, Stb. 2024, 435 (artikel XIII en XIX); Wet van 13 december 2017, Stb. 2017, 505 (artikel I, onderdelen O en P), met de memorie van toelichting in Kamerstukken II 2016/17, 34 765, nr. 3, paragraaf V.a; overzicht van ingebrekestellingen per departement, stand 31 december 2025 (bijlage bij Kamerstukken I 2025/26, 21 109, BO, gepubliceerd 3 februari 2026; inbreukzaken 2007/2343 en 2021/0474).

Stukken over de open-datazaak: Kamerstukken II 2022/23, 36 382, nr. 4 (advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 19 oktober 2022 en nader rapport van 16 juni 2023); Wet van 5 juni 2024, Stb. 2024, 164 (Wet implementatie Open data richtlijn, artikel VIII); Kamerstukken II 2023/24, 21 109, nr. 265 (brief van de minister van Buitenlandse Zaken, 26 april 2024, p. 2); Kamerstukken II 2024/25, 36 625, nr. 1 (Najaarsnota 2024, 29 november 2024); Kamerstukken II 2024/25, 36 725 VII, nr. 2 (eerste suppletoire begroting Binnenlandse Zaken 2025); Kamerstukken II 2024/25, 36 725 VII, nr. 6 (lijst van vragen en antwoorden, brief van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 juni 2025, vraag 4); Kamerstukken II 2025/26, 36 945 VII, nr. 1 (jaarverslag Binnenlandse Zaken 2025, ontvangen 20 mei 2026, artikel 6.2); Jaarbericht 2025 van de procesvertegenwoordiging bij het Hof van Justitie (bijlage bij Kamerstukken II 2025/26, 36 800 V, nr. 106, gepubliceerd 27 juli 2026, p. 12); Kamerstukken II 2025/26, 36 879, nr. 6 (nota naar aanleiding van het verslag, 24 april 2026, p. 2); Kamerstukken II 2025/26, 21 109, nr. 276 (brief van de minister van Buitenlandse Zaken, 2 februari 2026, p. 15).